Donderdag 20 februari 2020 om 19:50

Download at: 11-3-2020 15:34:35

$i: Index | $pi: Padded Index | $an: Album Name | $d: Date | $dc: Date Compact
$c: Caption | $fc: Caption (First line) | $fw: Caption (First word)
$t: Tag | $ft: First Tag | $o: Original file name

Preview:


Filter Photos By:

Caption:
Tag:
Comment:

2018-08-27 22:06:36

Aardappelrooiers 1920

2018-08-27 22:06:36

BAKER
Een baker was een soort kraamverzorgster. Ze begeleidde de vroedvrouw en was al een paar dagen vóór de bevalling in huis. Ieder dorp had tot in de twintigste eeuw verschillende bakers.
Een baker moest iemand zijn met veel ervaring, liefst met eigen kinderen en met een zacht lichaam. Het waren toegewijde vrouwen, gehecht aan oude beproefde methodes. De baker was de rots, waaraan de onervaren jonge ouders zich konden vastklampen. De baker was alleen overdag aanwezig en nam de baby "s avonds mee naar huis, of zij woonde tijdelijk bij het gezin in.
De baker was ongeschoold. Pas rond 1900 werden er bakercursussen opgezet. Deze waren niet meteen succesvol, omdat bijgeloof bleef bestaan. Zo vond men dat een kind spruw moest krijgen, omdat deze aandoening zich anders rond het 50e levensjaar zou voordoen, met dodelijke afloop. In 1911 werd door kruisverenigingen de cursus kraamvrouwenverpleging opgezet. Na de professionalisering van het beroep kregen bakers echter een slechte naam.
De naam "baker" komt van de term bakeren: na de bevalling werd de baby strak in doeken gewikkeld waarbij de armpjes stijf tegen het lichaam werden gedrukt.
De langwerpige, lage mand of houten bak waarin de baker zat en de baby op schoot verzorgde, werd een bakermat genoemd. Hiervan afgeleid is de overdrachtelijke betekenis van de plek waar iemand geboren is of zijn opvoeding heeft genoten.

Omdat bakers ongeschoold waren vertelden zij soms dingen die medisch gezien niet klopten, de zogenaamde bakerpraatjes.

2018-08-27 22:06:36

Kraamzuster

Wie tegenwoordig bevalt, kiest niet meer per definitie voor een thuisbevalling. Minder dan 20 procent van de bevallingen vindt momenteel nog thuis plaats. In 1953 was dat nog 78 procent. Toch staat Nederland al eeuwenlang bekend om zijn goed geoliede thuisbevalling. Verloskundigen spelen daarbij een centrale rol, met naast zich de kraamverzorgende. Welke ouder herinnert zich niet die doortastende, slagvaardige ‘zuster’?
Rond 1900 kregen bijna alle vrouwen in Nederland hun baby gewoon thuis. De vroedvrouw of huisarts deed de bevalling en de baker was aanwezig om te assisteren. Dat was haar bron van inkomsten. Bakers waren wat oudere vrouwen met een grote ervaring, die moeder en baby naar hun beste weten verzorgden. Ze bedoelden het meestal goed, maar hun onwetendheid en eigenwijsheid maakten de thuisbevalling tot een uiterst hachelijke onderneming. Na 1925 kwam daar verandering in. Wijkverpleegsters gaven bakercursussen en instrueerden de bakers over begrippen als rust, reinheid en regelmaat. Kruisverenigingen organiseerden een opleiding voor kraamverzorgsters, zodat bakers geleidelijk konden worden vervangen.
Een geduchte concurrent voor bakers en kraamverzorgsters was de kraamverpleegster. Zij had een 3-jarige opleiding in het ziekenhuis gevolgd en was in het bezit van het A-diploma. Om de kraamaantekening te halen, werkte ze nog 6 maanden op de kraamafdeling en assisteerde ze bij 20 ‘verlossingen’. Na het kraamexamen kon ze voor 10 gulden bij de firma Begeer het felbegeerde ooievaartje op haar insigne laten bevestigen.
Eenmaal gespecialiseerd lag voor haar de wereld open. Sommige kraamverpleegsters bleven in het ziekenhuis op de kraam- of gynaecologieafdeling werken, anderen voelden de vrijheid lonken en waagden de stap om zich vrij als particulier kraamverpleegster te vestigen. Het leven als particulier verpleegster bood de vrijheid die ze binnen de strenge ziekenhuismuren hadden gemist. Tegelijk betekende het een leven van financiële onzekerheid en soms van grote armoede. Maar particuliere kraamverpleegsters waren zeer gewild. Als geen ander kenden ze de kneepjes van het vak en waren ze op de hoogte van de nieuwste hygiënische inzichten. Kapitaalkrachtige gezinnen, waar men een baby verwachtte, huurden haar graag in, liefst wekenlang.
Na de Tweede Wereldoorlog verdween de particuliere kraamverpleegster uit beeld. Het Ziekenfondsbesluit uit 1941 vergoedde geen particuliere verpleging meer. De baker was inmiddels vervangen door voldoende opgeleide kraamverzorgsters. Kraamverpleegsters transformeerden tot kraamverpleegkundigen. Hun taak concentreerde zich na 1945 op de gecompliceerde ziekenhuisbevalling en het verstoorde kraambed. Nu 80 procent van de bevallingen in het ziekenhuis plaatsvindt, is de kraamverpleegkundige weer terug bij de gewone bevalling, waar ze haar kennis en kunde als vanouds kan gebruiken.

2018-08-27 22:06:36

Bakker aan de deur

Vanaf de jaren 60 kwam de bakker met de bakfiets langs om de bestellingen te bezorgen. Een zwaar leven, want ’s nachts werd het brood gebakken, ’s morgens bezorgd en ’s middags was het tijd voor koek en banket. Het aanbod? Wit en bruin tarwebrood, roggebrood en beschuit.
Het brood was ongesneden. Zo bleef het meteen een stuk langer vers. Ook werd er – eveneens voor de houdbaarheid – vaak extra vet aan het brood toegevoegd.

2018-08-27 22:06:36

Barbier

Een barbier houdt zich bezig met het scheren, knippen en verzorgen van baarden en snorren. Tevens is hij vaak herenkapper.
Barbier is een zeer oud beroep dat bij de Egyptenaren al in hoog aanzien stond. De naam is afgeleid van het Latijnse barba dat baard betekent. Vanaf de 14de eeuw begonnen de barbiers zich te verenigen in gildes.
In de middeleeuwen omvatte het werkterrein van de barbier ook dat van chirurgijn, een soort combinatie van tandarts en geneesheer. Iemand die dit alles tegelijk deed wordt dan ook de "barbier-chirurgijn" genoemd.[1] Het trekken van kiezen en aderlaten waren de meest voorkomende behandelingen. Aan dit laatste herinnert de rood-witte paal bij de ingang van de kapperswinkel. Zij is een representatie van de zwachtels die na het aderlaten werden uitgehangen om te drogen en in elkaar verstrengeld raakten.[2]
Het scheren van de baard gebeurt met een zeer scherp scheermes dat op leren banden gescherpt wordt. Door de ontwikkeling van het veiligheidsscheermes en het elektrische scheerapparaat raakte het beroep in Europa en Noord-Amerika na de Middeleeuwen steeds meer in onbruik. In veel Aziatische en Afrikaanse landen wordt het beroep van barbier echter nog steeds beoefend, vaak op straat, in combinatie met schoenenpoetsen.
Het verschil tussen kapper en barbier is in principe dat een barbier meer gespecialiseerd is in baarden en snorren, terwijl een kapper vooral het hoofdhaar verzorgt. Tegenwoordig is er nauwelijks meer een verschil tussen een barbier en een kapper

2018-08-27 22:06:36

Dienstbode

Een dienstbode is iemand die in loondienst huishoudelijk werk verricht. Vroeger ging het meestal om een jonge, ongehuwde vrouw, die ook dienstmeisje genoemd werd.

Een dienstbode kan zowel van het mannelijke als van het vrouwelijke geslacht zijn. De woordenlijst van De Vries en Te Winkel geeft in 1914 nog als geslachtsaanduiding: "M. en V.". De inleiding tot die lijst zegt ook dat het "[woord]geslacht afhangt van de kunne van het wezen, dat zij op het oogenblik aanduiden". Taalpuristen gebruiken dienstbode immers als synoniem van butler.
Voor de vrouwelijke personen waren ook andere namen in gebruik. Aan het begin van de twintigste eeuw kon nog van meid of dienstmeid worden gesproken; een bekende dichtregel van J.A. dèr Mouw uit 1919 luidt: "k ben Brahman. Maar we zitten zonder meid. Deze benaming, die thans verouderd is, was indertijd geenszins negatief van klank.
Nog ouder is dienstmaagd, dat in modern Nederlands een plechtstatige klank heeft gekregen.
In België is de officiële benaming huispersoneel, waarvoor een speciaal statuut bestaat bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
Dienstbodes in Nederland


Vrouwelijk huishoudelijk personeel in Nederland
In de eerste helft van de twintigste eeuw was een groot deel van de vrouwelijke beroepsbevolking in Nederland werkzaam als dienstbode (zie grafiek). Men onderscheidde de inwonende dienstbode, die behalve kost en inwoning een klein loon kreeg en het dagmeisje, dat alleen overdag kwam. Voor de arbeidsvoorwaarden van dienstboden bestonden ongeschreven regels, die gedeeltelijk zijn opgetekend door Amy Groskamp-ten Have. Volgens deze regels had de dienstbode bijvoorbeeld recht op fooien van gasten van haar werkgever. Deze fooien waren voor die tijd relatief hoog, bijvoorbeeld een gulden van een gast bij een diner. Door toenemende beroepsmogelijkheden in andere sectoren nam het aanbod van dienstboden gaandeweg af, waardoor tussen 1920 en 1940 veel Duitse dienstmeisjes werden aangenomen en deftige dames spraken over het dienstbodenprobleem. Na 1950 nam door de mechanisatie van het huishouden en de sterk stijgende lonen en belastingen ook de vraag af, waardoor het beroep van dienstbode in Nederland vrijwel is uitgestorven.

2018-09-27 23:33:37

Een sterfgeval moest natuurlijk bekend gemaakt worden, in de buurt en bij de familie. Dit ging aanvankelijk niet per post middels een rouwbrief, nee, iemand moest het sterfgeval gaan aanzeggen bij mensen die nauw gerelateerd waren aan de overledene. Het aanzeggen werd gedaan door familieleden, een buurman en ook door mensen die lijkers of aansprekers genoemd werden en deze functie was niet altijd voorbehouden aan een familielid of buurman. Bij het aanzeggen werden de mensen tevens uitgenodigd voor de rozenkrans, de uitvaart en de koffietafel.

2018-09-27 23:33:37

Er wordt hard gewerkt. We zien zakken vol aardappelen klaar staan en mannen die bezig zijn de piepers te sorteren. Uit alles blijkt dat de Arbowetgeving nog zijn intrede moet doen.

Een kratje doet dienst als stoel en ook de zakken aardappelen overschrijden vast het maximale gewicht dat nu is toegestaan.

2018-09-27 23:33:37

Een berenleider met een tamboerijn laat een beer die aan een ketting vastzit, kunstjes doen terwijl enkele mensen toekijken. Limburg, circa 1930

2018-09-27 23:33:37

Een lantaarnopsteker pleegt onderhoud aan een straatlantaarn in de Boschstraat in Maastricht

2018-10-02 23:26:39

Een letterzetter aan het werk bij het zetten van loden letters voor een drukwerk

2018-10-02 23:26:39

Een strontschepper of stronttonnetjesschepper met twee emmers vol uitwerpselen uit een huis in de Jordaan in Amsterdam op weg naar de boldootkar van de gemeentereiniging. 13 september 1953

2018-10-02 23:26:39

Een veerman zet met zijn roeiboot een aantal mensen over de vaart bij Lisse, 26 februari 1952.

2018-10-02 23:26:39

Garnalenpeller

Vroeger werd dit vaak door thuiswerkers gedaan. Sinds 2015 gebeurt dit op kleine schaal weer in Den Haag. Zo stonden de Volendamse en vooral ook Noord-Groningse huisvrouwen lange tijd bekend om hun garnalenpellen aan huis. De gegeven werd aangegrepen in een reclame voor de Gouden Gids, daarin werden hele scheepsladingen garnalen aangevoerd, die zelfs voor een paar Volendamse vrouwen te veel bleken.
Pelbedrijven[bewerken]
Door strenge hygiëne-eisen moesten de vishandels vanaf 1990 een eigen pelhal inrichten, het thuiswerken van garnalenpellers was niet meer toegestaan. In eerste instantie werden de pellerijen verplaatst naar Polen, waar de arbeidskosten een stuk lager liggen dan in Nederland. Nog gunstiger voor de Nederlandse garnalenverwerkers bleek Marokko waar veel vrouwen beschikbaar zijn die tegen geringe arbeidskosten hard en hygiënisch willen werken.
Een probleem bij de bedrijven in Marokko is de afvalberg die dagelijks door de pelbedrijven geproduceerd wordt. Door de vele toegevoegde conserveringsmiddelen is het niet mogelijk om uit de garnalenschillen nog nuttige stoffen zoals chitosan uit te winnen. Ook de koeling is belastend voor het milieu; er is een groot verbruik van energie en koelvloeistof mee gemoeid. De garnaal wordt gedurende het gehele proces continu gekoeld tot 2 graden Celsius: tijdens opslag in Nederland, gedurende het transport over 5000 km, en tijdens de verwerking.

2018-10-02 23:26:39

Een hoorspel (vooral gebruikelijk in Nederland) of een luisterspel (vooral gebruikelijk in Vlaanderen) is een vorm van drama, waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van geluid. De meeste hoorspelen worden dan ook voor het medium radio gemaakt. Vandaar dat het hoorspel ook wel radiodrama of radiotoneel genoemd wordt.

Tegenwoordig kijkt men vaak naar een speelfilm of serie op televisie.
Bij een hoorspel zijn de achtergrondgeluiden zeer belangrijk. Meer dan bij een speelfilm zal men geluiden laten horen waaraan de luisteraar kan merken wat er gebeurt. Een hoorspelstudio beschikt dan ook over middelen om deze geluiden te produceren. Bekend is vooral de bak met grind waarmee men laat horen dat iemand over een tuinpad loopt.
Gebeurt er iets dat niet goed hoorbaar te maken is, dan moet zo"n situatie duidelijk gemaakt worden met behulp van de dialoog: "Wat is het hier donker. Doe het licht eens aan." [klik] "Kijk daar eens! Verdorie, hij beweegt niet... Hij zal toch niet..." [haastige voetstappen, geschuif] "Ik geloof dat hij dood is!"
In een speelfilm is dergelijke uitleg niet nodig en ook in het normale leven zal iemand niet altijd hardop zeggen wat hij aan het doen is. Het is dus de kunst van de hoorspelbewerker om een plat "ooggetuigenverslag" te vermijden en de dialoog zódanig te construeren dat de situatie op een natuurlijke manier duidelijk wordt. Dus niet: "Ik pak nu een boek", maar: "Geef me dat boek eens... nee, dat andere, naast die asbak".

Een hoorspel is niet hetzelfde als een luisterboek. Bij een luisterboek wordt de gehele tekst van een boek voorgelezen, en soms worden citaten door verschillende stemmen uitgesproken. Bij een hoorspel worden alleen de citaten uitgesproken, maar andere geluiden worden daadwerkelijk opgenomen zoals ze zijn. In een luisterboek zal de voorlezer zeggen "de telefoon ging", terwijl bij een luisterspel men het gerinkel van een telefoon zal horen.
Dit kan soms verwarrend zijn, aangezien bij oude, of oud nagemaakte hoorspelen geluiden voorkomen die tegenwoordig nauwelijks meer te horen en bij een jong publiek onbekend zijn, zoals een oude tram, een telefoonbel of een schrijfmachine.

Het jaar 1924 zag de geboorte van het hoorspel, maar men is het er niet over eens of de eer toekomt aan het Engelse Danger van Richard Hughes of aan het Nederlandse Het turfschip van Breda van Willem Vogt. Aanvankelijk kregen de luisteraars vooral radiotoneel te horen, waarbij de rollen gewoon werden voorgelezen. Vanaf 1929 echter bracht regisseur Kommer Kleijn bijvoorbeeld De koopman van Venetië, Romeo en Julia en Lancelot als “radiogenieke” stukken, waarbij muziek en geluiden werden toegevoegd.
In 1933 kwamen de eerste thrillers en seriehoorspelen. De BBC bewerkte boeken van Francis Durbridge over detective Paul Temple tot graag beluisterde hoorspelen, en Kommer Kleijn liet zich daardoor inspireren voor zijn Paul Vlaanderen, die een ongekend succes kende in Nederland. Later bracht Léon Povel zijn Sprong in het heelal, naar boeken van Charles Chilton, waardoor tallozen aan de radio gekluisterd werden. Ook voor kinderen werden veel hoorspelen op de radio gebracht. Een belangrijke drijfveer daarachter was Wim Quint, producer en regisseur (en soms acteur) bij de KRO-jeugdafdeling. Enkele opmerkelijke hoorspelen voor kinderen waren Paulus de Boskabouter (van Jean Dulieu, die zelf alle stemmetjes deed), Monus, de man van de maan (van A.D. Hildebrand), Lawines razen (van An Rutgers van der Loeff-Basenau) en De A van Abeltje (van Annie M.G. Schmidt).


Beeld van het NCRV radio spel "heer en meester" in Heeze
Na de Tweede Wereldoorlog waren het vooral de AVRO en de VARA die wekelijks hoorspelen uitzonden; nadien kwamen daar NCRV, KRO en VPRO bij. Van 1947 tot 1986 bestond een vaste hoorspelkern, spelers die door alle omroepverenigingen konden worden ingezet. Heel vaak waren dan ook de stemmen van Jan Borkus, Hans Karsenbarg, Fé Sciarone, Piet Ekel, Donald de Marcas, Dogi Rugani, Hans Veerman, Frans Kokshoorn, Huib Orizand, Peter Aryans en nog vele anderen te horen. Daarna schonken de omroepverenigingen steeds minder aandacht aan het hoorspel, maar heel wat mensen blijven erdoor geboeid en kunnen nu dankzij het internet blijven luisteren naar al wat bewaard gebleven is.
Tegenwoordig is een nieuwe trend zichtbaar: hoorspel in opdracht. Verschillende bureaus bieden de mogelijkheid om met bedrijven of instellingen een dagje hoorspel te maken. Ook wordt het hoorspel gebruikt als onderdeel van websites.
In 2013 heeft voor de eerste maal een hoorspelenfestival in Kampen plaatsgevonden, het Internationale Hoorspelenfestival. Op 18 oktober 2014 vindt het festival voor de tweede maal plaats. Tijdens het festival worden korte hoorspelen (met een lengte van maximaal tien minuten) beluisterd, waarbij het licht in de zaal wordt gedimd. Voorwaarde voor deelname is dat het hoorspel nieuw is en nog niet eerder elders te beluisteren is geweest. Het publiek kiest aan het eind van de avond het beste hoorspel en de maker(s) daarvan ontvangt de "Gouden Grindba

2018-10-24 21:08:50

Een strontschepper of stronttonnetjesschepper met twee emmers vol uitwerpselen uit een huis in de Jordaan in Amsterdam op weg naar de boldootkar van de gemeentereiniging.
13 september 1953

2018-10-24 21:08:50

IJsdragers bezorgen ijs in de tijd van vóór de koelkast en de vriezer, jaren 1930

2018-10-24 21:08:50

Klompenmaker

2018-10-24 21:08:50

Onderonsje van wachtende koetsiers bij Centraal Station Utrecht. Datum onbekend.

2018-10-24 21:08:50

Kolenboer

2018-12-13 21:43:10

Glazenwassers

2018-12-13 21:43:10

Glazenwassers in 1900

2018-12-13 21:43:10

Huis aan huisverkopers
Een marskramer dus..

2018-12-13 21:43:10

Korenmolenaar

2019-01-11 19:44:18

Kruidenier

De kruidenier (vroeger ook wel grutter genoemd, naar de grutten die men verkocht) is een detailhandelaar in "droge" levensmiddelen. Als zodanig is hij te onderscheiden van de slager, de bakker en de groenteboer, die verse levensmiddelen verkopen. Door de opkomst van de supermarkten in de jaren zeventig is de kruidenierszaak nagenoeg verdwenen en raakt de term langzamerhand verouderd.
Onder de kruiden verstond men met name gedroogde keukenkruiden van inlandse of buitenlandse herkomst. Ook verkocht men comestibles (verduurzaamde voedingswaren) en de zogenoemde koloniale waren zoals specerijen, koffie, thee, cacao en tabak. Verder werden ook andere artikelen dan voedingsmiddelen verkocht, zoals kaarsen, blauwsel, stijfsel, zeep en potas, dit alles voor huishoudelijk gebruik.

De kruidenier in de 19e eeuw

De kruidenier is in de 19e eeuw nog een kleine zelfstandige ondernemer. Aan het einde van de 19e eeuw tekenden zich de voorboden af van de strijd om de klant, die in de 20e eeuw in volle hevigheid werd gevoerd en die voor het kruideniersberoep zeer ingrijpend is geweest:
In 1893 kwam de merkenwet tot stand. Fabrikanten waren daardoor in staat consumentenartikelen onder een eigen merknaam te registreren
Vanaf 1865 ontstonden verbruikscoöperaties van consumenten.
In de laatste jaren van de 19e eeuw ontstonden de eerste grootwinkelbedrijven.
De kruidenier in de 20e eeuw[bewerken]
Inleiding: de strijd om de consumentenmarkt[bewerken]


De 20e eeuw werd beheerst door een welhaast 80-jarige oorlog tussen alle partijen in de levensmiddelendistributieketen. Inzet is wie de laatste schakel naar de consument, de detailhandel, beheerst. Fabrikanten, grossiers, detailhandelaars en consumenten hebben allen grote inspanningen geleverd om ten koste van de andere partijen marktaandeel te verwerven. Achteraf kan worden vastgesteld dat die strijd is gewonnen door de bedrijven die de groothandelsfunctie vervullen, de grossiers en de grootwinkelbedrijven. Hun marktinvloed is nu zo groot dat zij nagenoeg met uitsluiting van fabrikant, zelfstandige detailhandelaar en consument in staat zijn te bepalen welke producten in de winkels worden aangeboden. Fusies en overnames in de Nederlandse levensmiddelengroothandel worden thans door de Nederlandse Mededingingsautoriteit nauwlettend getoetst.

Fabrikant

In 1893 kwam de Merkenwet tot stand. Voor fabrikanten was het nu mogelijk om een merk te registreren. Door referentie aan het merk kon aan de consument een vaste samenstelling en kwaliteit worden gegarandeerd. Door verbeterde Levensmiddelentechnologie werd het voor de fabrikanten met name na de Eerste Wereldoorlog meer en meer mogelijk de merkartikelen in consumentenverpakking te leveren. Met op de consument gerichte reclame (pull-marketing) creëerden zij vraag bij de kruideniers. Niet de kruidenier of de groothandel bepaalde daardoor of het artikel in het schap kwam te liggen, maar de fabrikant. Het nadeel voor de kruidenier was dat hij niet meer in staat is voor het door de klant gevraagde een substituut-artikel te leveren.
Het merkartikel maakte voor de fabrikant ook de verticale prijsbinding mogelijk. Door een verplichte consumentenprijs werd de detaillist een vaste winstmarge gegarandeerd, en werd een prijzenoorlog onder kruideniers voorkomen. De bedoeling daarvan was zo veel mogelijk verkooppunten in stand te houden. Daartoe werd in 1928 de Fiva opgericht door een aantal fabrikanten van merkartikelen. Bekende leden van de Fiva waren onder andere Honig, Heineken, Douwe Egberts, Maggi, Persil. Afwijken van de vastgestelde verkoopprijs leidde tot uitsluiting van levering door alle Fiva-leden. Met name de grootwinkelbedrijven waren sterk gekant tegen verticale prijsbinding, omdat hierdoor prijsconcurrentie onmogelijk werd gemaakt.
Naast het merkartikel en de verticale prijsbinding trachtten fabrikanten hun afzet ook veilig te stellen door zelf deel te nemen in de detailhandel. Zo had margarinefabrikant Van den Bergh (een voorganger van Unilever) sinds 1912 de N.V. Unie-Winkel-Maatschappij en sinds 1918 ook de N.V. Albino Maatschappij met haar kruidenierswinkelketen. Concurrent-margarinefabrikant Jurgens (ook een voorganger van Unilever) kocht in 1917 een 50% aandeel in De Gruyter en in 1920 50% van de gewone aandelen van Albert Heijn. Het aandeel in Albert Heijn werd 7 jaar later weer terugverkocht aan Albert Heijn, maar de ruim 200 Albinowinkels en Uniewinkels werden eerst in 1948 weer van de hand gedaan door Unilever, die het aandeel De Gruyter tot 1970 aanhield.
Het vierde middel om de eigen afzet te garanderen was de rechtstreekse verkoop aan de individuele kruideniers, eventueel met uitschakeling van de grossier. Daartoe werden de kruideniers regelmatig door vertegenwoordigers van de fabrikant bezocht, waarbij een order werd genoteerd voor latere levering, dan wel rechtstreekse levering uit de (bestel)auto. Levering en facturatie kon zowel rechtstreeks vanaf de fabrikant plaatsvinden als via de vaste grossier. Dat laatste bijvoorbeeld als binnen het vrijwillig filiaalbedrijf met grossiers daartoe afspraken waren gemaakt.

Grossier

In de jaren dertig van de vorige eeuw ontwikkelden grossiers de formule van het vrijwillig filiaalbedrijf, een vorm van franchise. Winkeliers en grossiers presenteerden zich onder gezamenlijke naam en voerden eigenmerkartikelen. Winkeliers verplichtten zich daarbij een zeker minimum van hun omzet bij de grossier in te kopen. Grossiers verzorgden in ruil daarvoor bepaalde diensten, zoals verzorging van de boekhouding, reclamemateriaal, etalageverzorging en dergelijke tegen kostprijs. Zo ontstond in 1932 de organisatie De Spar waarin zich meerdere grossiers en winkeliers verenigden. In 1934 richtte grossier Schuitema de Centra-organisatie op, waarbij één grossier de winkeliers aan zich bond. Het voordeel voor de grossiersvereniging was de grotere inkoopkracht bij de fabrikant, daarnaast zorgden de aangesloten winkeliers voor afnamezekerheid. Bovendien kon de consument met het eigen merk worden benaderd, zoals het grootwinkelbedrijf dat ook deed.
In het laatste kwart van de 20e eeuw vervaagden de grenzen tussen grootwinkelbedrijf en vrijwillig filiaalbedrijf. Door fusies ontstonden grote grossiers die ook zelf supermarkten in exploitatie namen, dan wel verhuurden aan zelfstandige ondernemers. Grossiers en grootwinkelbedrijven namen over en weer een aandeel in elkaar. Zo waren er eind jaren tachtig nog twee grossiers die Sparwinkeliers beleverden, Unigro en Schuitema. Na een poging tot een vijandige overname van Schuitema door Unigro kwam uiteindelijk Ahold (Albert Heijn) in het bezit van de meerderheid van de aandelen van Schuitema. Vervolgens fuseerde Unigro met De Boer Supermarkten. Twee gevallen van vermenging van VFB-grossiers met grootwinkelbedrijven. De Spar-formule leed daaronder, omdat de grossier de grootste vestigingen in hun eigen formules onderbrachten

Grootwinkelbedrijf

Eind van de 19e eeuw ontstonden de grootwinkelbedrijven. Bekende voorbeelden daarvan zijn in de eerste helft van de 20e eeuw P. de Gruijter en Zn., Simon de Wit en Albert Heijn. Het lijkt aannemelijk dat het grootwinkelbedrijf kon ontstaan door de betere logistieke mogelijkheden, als gevolg van de uitvinding van de auto, en de verharding van wegen die rond de wisseling van de 19e naar de 20e eeuw op grote schaal plaatsvond.
De kracht van het grootwinkelbedrijf is dat het door zijn omvang in staat is grotere kortingen te bedingen bij grossier en fabrikant dan de kleine zelfstandige kruideniers. Het grootwinkelbedrijf schakelt door zijn omvang met name de grossier uit, en waar mogelijk ook de fabrikant. Heel bekend voorbeeld is Albert Heijn, die tussen 1920 en 1940 omvangrijke fabricage-capaciteit in Zaandam inrichtte. De Gruijter heeft zeer lang uitsluitend eigen merk verkocht en de A-merken van de fabrikanten genegeerd.
Uit de aard van het bedrijf is de prijs het belangrijkste concurrentie-wapen van het grootwinkelbedrijf. Door het grotere inkoopvolume is het grootwinkelbedrijf in staat lagere inkoopprijzen te bedingen. Omdat het grootwinkelbedrijf vaak meerdere schakels in de distributieketen omvat, kan het de winstmarges van die verschillende schakels gelijktijdig aanwenden in de prijsconcurrentie. Het grootwinkelbedrijf had dan ook last van de verticale prijsbinding, die de fabrikanten via de Fiva afdwongen. Om ten opzichte van de fabrikant een nog krachtiger positie te krijgen richtten een aantal grootwinkelbedrijven in de jaren vijftig de inkoopvereniging Superunie op.
Naast de tendens het assortiment in de supermarkt steeds meer te verbreden is er de formule van de harde discounter ontstaan. De concurrentie om de consument wordt gevoerd met een beperkte dienstverlening en een beperkt assortiment tegen de laagste prijzen. De ketens Aldi en Lidl staan hierom bekend.
In 2000 was 39% van de supermarkten in handen van grootwinkelbedrijven. Daarmee werd een marktaandeel van 63% van de geldomzet gehaald. Door de schaalvergroting van de levensmiddelenwinkels zijn er steeds meer inwoners nodig om voldoende draagvlak voor de winkel te hebben. In de doorsnee woonwijk is slechts draagvlak voor één of twee supermarkten. Daardoor is schaarste aan vestigingsplekken voor supermarkten ontstaan. Een aantal grootwinkelbedrijven is begonnen de formule ook in franchise te geven aan zelfstandige ondernemers. Daardoor wordt in wijken of dorpen waar de keten geen eigen filiaal heeft toch de groothandelsomzet gehaald.

2019-01-11 19:44:18

Gezocht: Fijne neus.

Functie: Kruikenruiker.

Standplaats: Jeneverstokerijen.

Jij bent: Een fijnruiker.
Als je een blinddoek om krijgt heeft jouw reukorgaan genoeg aan een vleugje aroma om te weten wat er onder je neus gehouden wordt.

Wij bieden: Een misschien wat eentonige baan met grote verantwoordelijkheid.
Nadat ze zijn leeggedronken komen jeneverkruiken terug naar de stokerij.
De aardewerken flessen zijn ondoorzichtig, aan jouw neus de taak om te ontdekken of de kruiken schoon zijn van binnen.
Heeft iemand de kruik misschien misbruikt om er lampenolie in te bewaren?
Heeft een onverlaat er zijn sigarenstompje ingegooid?
Is er een muis ingekropen en heeft die het loodje gelegd?
Dan waarschuwt jouw neus je om de kruik apart te houden, want die is niet meer geschikt om er jenever in te doen.

Reageren voor: Het grootschalig gebruik van glazen flessen.
Die gaan de glasbak in waarna er nieuw glas van gemaakt wordt.
De weinige kruiken van aardewerk die nog de winkel uitgaan worden niet meer apart ingezameld.
De laatste kruikenruiker bij stokerij Bols vertrok rond 1967.

2019-01-11 19:44:18

Een lantaarnopsteker is een persoon die de vroeger nog op gas of olie werkende straatlantaarns aanstak, meestal met behulp van een lange stok. In sommige gemeenten was straatverlichting aanwezig in de vorm van een gespannen koord tussen tegenover elkaar staande gevels. Aan één gevel was een katrol bevestigd. Hiermee kon de lantaarnopsteker de straatverlichting op straat laten zakken om die aan te steken.
De lantaarnopsteker had in veel dorpen ook de rol van bewaker, omdat hij "s avonds door de dorpen of steden heen liep.
Doordat steeds meer plaatsen van gaslicht overgingen op het elektriciteitsnet is het beroep lantaarnopsteker geleidelijk uitgestorven.

2019-01-11 19:44:18

Lommerd - Pandjeshuizen
Bij een lommerd sluit je feitelijk een lening af tegen een onderpand. Je krijgt een briefje mee, en later kun je op vertoon van dat briefje en tegen terugbetaling van het eerder ontvangen bedrag plus (flinke) rente en/of zogenoemde bewaarkosten, je onderpand terugkrijgen.
Je kunt lommerdbriefjes ook verkopen of aan een ander geven, want ze zijn niet persoonsgebonden.
Er staat altijd een bepaalde termijn voor de lening, maar je kunt je onderpand natuurlijk ophalen (als je geld hebt) en het direct weer belenen.
Als de termijn verloopt en je hebt het onderpand nog niet opgehaald, dan verkoopt de lommerd dat.
Stel je beleent iets voor 50 euro, en bij verkoop levert het 75 euro op, dan zou je nog recht hebben op een gedeelte van de winst (verschil belening-verkoopopbrengst minus rente), op vertoon van het lommerdbriefje.

Vroeger was de opslag achter de lommerd, tegenwoordig hebben ze vast een opslag elders.

2019-07-18 22:57:29

Kolenboer

2019-07-18 22:58:09

Geschiedenis

Kraamzorg in Nederland is uniek op de wereld, nergens anders wordt dit concept toegepast. Maar waar is het nou ontstaan?
Eeuwenlang werd de kraamzorg door bakers gedaan. Dit waren door de praktijk geschoolde ervaren en toegewijde vrouwen, vaak gehecht aan oude beproefde methodes. De eerste cursussen voor bakers werden in 1900 opgezet. Pas in 1923 werd er een commissie ingesteld, die toezicht ging houden op de nieuwe opleiding kraamverzorging ter voorkoming van het wild bakeren. Vanaf 1950 werden de kraamverzorgsters vanuit een internaat opgeleid, waarbij de werkzaamheden niet altijd rozengeur waren, maar wel heeft geleid, tot wat het vak kraamzorg nu is.
Oude gebruiken
Wij hebben nu nog steeds veel oude gebruiken met een herkomst uit het verleden of waarvan we de herkomst niet meer weten, maar deze gebruiken komen terug bij de geboorte van een kind, zoals beschuit met muisjes
In de 17e eeuw was het in de hogere kringen gebruikelijk om kennis te geven van een zwangerschap, door middel van ‘Hansje-in-den-kelder‘.
Beschuit met muisjes
Al sinds de 17e eeuw werd kraambezoek getrakteerd op beschuit met muisjes. Muisjes stonden namelijk symbool voor vruchtbaarheid. Bij meisjes roze muisjes, bij jongens witte. Later werden de witte muisjes door blauwe vervangen. Het anijs in de muisjes zou de borstvoeding stimuleren en de boze geesten bezweren.
Baker: Vrouw, die zorgt voor het bakeren (strak inzwachtelen) van een zuigeling. Daardoor krijgt het kind minder prikkels van buiten en wordt het kind rustig.
Bakerlied: Wiegelied, gezongen door de baker.
Bakermat, Bakerkorf: Een langwerpige, lage mand, ook wel een houten bak, die voor het vuur staat, tot zitplaats diende voor een baker, wanneer deze het op haar schoot liggende kind verzorgde.
Deurzichten: Gebruik, waarbij buurtgenoten op de kraamvisite komen en dan linnenkast en luiermand openen om naar de uitzet te kijken en om daar commentaar op te leveren.
Kraamkloppertj: Een geborduurd werk (zie foto) werd aan de deur gehangen om kennis te geven van de geboorte van een kindje. Als er een papier in werd gestopt, was er een meisje geboren, zonder papier een jongen.
Kandeel / Karndeel: Warme wijn, gekruid met kaneel en kruidnagelen. Er werd na de geboorte ook wel jenever of brandewijn met suiker geschonken.
Kraamschudden: Noord-Nederlands term voor het tonen van de zuigeling aan vrouwelijke buurtgenoten enkele dagen na de geboorte. In Brabant heet het “met den krommen arm gaan” en in Limburg “met den eierschaal gaan”, uitdrukkingen die slaan op het meebrengen van geschenken.
Pillegift: Een uitgestelde gift, door peetvader of peetmoeder beloofd bij de doop, en pas geschonken als (na een flink aantal maanden of een jaar) bleek, dat het kind nog in leven was. Bijvoorbeeld een gouden ketting of hangertje, of familieportretten.
Vuurmand: Mand in de kraamkamer, waarin zich een vuur bevindt en waarboven het linnen, de kleding, de luiers gedroogd werden en waarvóór het kind werd gebakerd.
Wieg: Mand- of bakvormig bedje, ledikantje voor zuigelingen, veelal in vroeger tijden met gebogen onderstel of (aanvankelijk) in hangconstructie, waardoor het in een schommelende beweging kon worden gebracht (soms voorzien van kap en gordijntjes).
Hansje-in-den-Kelder
Het ritueel was, dat de (schoon-) ouders werden uitgenodigd en er een Hanzebeker op tafel werd gezet. Terwijl iedereen doodstil zat te wachten, werd er speciale likeur ingeschonken. Als het glas vol was, kwam er een klein drijvertje naar boven in de vorm van een kindje. Er werd dan geroepen: “Hansje in den kelder”. De likeur werd daarna uit de beker gedronken op een goed verloop van de zwangerschap en bevalling. Tijdens het drinken werd er gezongen: “ Men drinkt, als ’t komt te pas, kaneelwijn frisch en helder, geluk aan de echtgenoot met Hansje in den Kelder”.
Omstreeks 1800 raakte dit gebruik in de vergetelheid; toch is de likeur nog tot op de dag van vandaag te verkrijgbaar bij de speciaalzaken.
In het Amsterdams Historisch museum is er nog een Hanzebeker te bewonderen.
Kandeel
Kandeel is een sterke drank voor het kraambezoek. Deze drank bestond uit een mengsel van witte wijn, kruiden, suiker en eidooiers. De kersverse vader droeg een satijnen muts met een pluim (de kraamherenmuts), terwijl hij in de kandeel roerde met een kaneelstok. Daarna deelde hij de kandeel rond in speciale kandeelkommetjes.
Bazige bakers (1870-1890)
In de 19de eeuw bevielen de meeste vrouwen gewoon thuis, begeleid door een vroedvrouw of huisarts. Na de bevalling kwam de zorg voor moeder en kind in handen van een baker. Dat waren meestal oudere vrouwen, goed gebekt en breed in de heupen, zodat ze de baby gemakkelijk op schoot konden aankleden. Over bakers doen nogal negatieve verhalen de ronde. Ze zouden lui, dronken en onoplettend geweest zijn. Dergelijke bakers waren er natuurlijk en ze werkten meestal in de arme gezinnen. Maar er waren ook goede bakers, zoals Trui Klein uit Utrecht, die menige moeder op voortreffelijke wijze door het kraambed heen hielp. Dokter Ausems, die veel met Trui werkte, was heel enthousiast over haar: ”Trui was nooit vermoeid, altijd gelijkmatig van humeur, ijverig, stipt en betrouwbaar bij haar werk, pleegde geen ongerechtigheden, luisterde naar de bemerkingen omtrent de verpleging en bracht ze in toepassing”. Vooral dat laatste was voor artsen en vroedvrouwen heel belangrijk. Want de meeste bakers waren eigenwijs en hielden vast aan de aloude bakerpraatjes over gezondheid. Het sterftecijfer onder moeders en zuigelingen was in deze periode dan ook hoog.
Rust, reinheid en regelmaat (1890-1925)
Aan het einde van de 19de eeuw woei er een nieuwe wind door Nederland. Fabrieken en bedrijven kwamen in opkomst en mensen trokken naar de grote steden op zoek naar werk. Ook de geneeskunde maakte een enorme ontwikkeling door. Een belangrijke doorbraak was de ontdekking van de bacterie. Eindelijk waren medici in staat de oorzaak van allerlei ziekten te diagnosticeren. Ook werd duidelijk, dat het levensreddend is, als doktoren hun handen wassen. Met deze nieuwe kennis over hygiëne gingen medici de strijd aan tegen de kraamvrouwenkoorts en de kindersterfte. Vanaf dat moment klaagden ze steen en been over de bakers, die meestal niet konden lezen of schrijven en geen idee hadden van de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van hygiëne en zuigelingenvoeding. In 1899 startte het Witte Kruis daarom met een opleiding voor bakers en ook het GroeneKkruis ging zich bezighouden met de scholing van bakers. Ook de aanstaande moeders kregen voorlichting. Eenmaal opgeleid ontvingen de bakers een uniform, een diploma en een speld. Dat gaf natuurlijk veel status. Toch begon het imperium van de baker vanaf 1920 te wankelen. Vanaf dat moment werd ook in artsenkringen gesproken over een nieuw type baker, de “kraamverzorgster”. Zij moest de ouderwetse baker vervangen en de nieuwe hygiënische beginselen van “rust, reinheid en regelmaat” introduceren in de gezinnen.
Van baker naar kraamverzorgster (1925-1950)
Vanaf het begin van de 20ste eeuw ging de overheid zich meer met de openbare volksgezondheid bezighouden. Een speciale commissie ontwierp de nieuwe opleiding voor kraamverzorgsters, die in 1926 van start ging. Gedurende achttien maanden, waarvan zes in de kliniek, volgde de leerling theorie- en praktijklessen. De taken, die de huidige kraamverzorgende in haar pakket heeft, werden al in die eerste opleiding voor kraamverzorgsters geformuleerd. De kraamverzorgster had vooral een signalerende functie en moest voorlichting geven. Ze assisteerde bij de bevalling, verzorgde moeder en kind en rapporteerde alles wat afweek van een normaal kraambed. Kraamverzorgsters waren altijd verantwoording schuldig aan de vroedvrouw, de arts of de kraamvrouwenverpleegster. Na voltooiing van haar opleiding, moest ze zich aanmelden bij een zogenaamd plaatsingsbureau, waar ze ingeschreven werd als werkzoekende en kon rekenen op regelmatig werk. Pas na inschrijving ontving ze haar insigne. Deze constructie was vooral bedoeld om te voorkomen, dat gediplomeerde kraamverzorgsters zich op grote schaal particulier zouden aanbieden. Dit werkte het zogenaamde “wild bakeren” in de hand, waarbij de overheid de controle op de kraamzorg weer zou verliezen.
Tussen zwabberen en zorgen, een dilemma
“Wild bakeren” was tot 1950 een groot probleem in de kraamzorg. De behoefte aan kraamverzorging was in deze periode groot. Veel arme vrouwen konden de verleiding niet weerstaan en gaven zich zonder opleiding uit voor geoefende kraamverzorgsters. Vooral op het platteland was dit moeilijk te controleren, en gemakshalve zochten veel gezinnen hun heil weer bij de goedkope baker uit de buurt. De druk op de kraamopleiding was hoog, want er waren veel te weinig opleidingsplaatsen. Vooral toen de bakeropleiding in 1943 definitief stopte, legde dat een extra druk op de opleiding tot kraamverzorgster. Die opleiding had ook te kampen met tekorten in het praktische gedeelte. Want waar moesten al die nieuwe kraamverzorgsters ervaring opdoen en wie moest ze daarbij begeleiden? Er was nog weinig eenheid tussen de verschillende opleidingen. Tenslotte kampte de vernieuwde kraamopleiding met een probleem, dat haar tot op de dag van vandaag zou blijven achtervolgen. Het werk van de kraamverzorgster beweegt zich namelijk tussen zwabberen en zorgen. Aan de ene kant moest de kraamverzorgster de kraamvouw verzorgen en aan de andere kant werd ze ingeschakeld bij allerlei huishoudelijke klussen. Vooral tussen 1930 en 1950 was er een schreeuwend tekort aan dienstmeisjes in de burgerlijke gezinnen. Sommige gingen de kraamverzorgster zien als een tijdelijke oplossing voor dit probleem.
In het internaat: Lachen, gieren brullen (1950- 1983)
Vanaf 1950 werden kraamverzorgsters in internaten opgeleid, waar ze drie maanden aaneengesloten theoretisch onderwijs kregen. Daarna gingen ze twaalf maanden de praktijk in, onder leiding van een docente. De gedachte achter dit systeem was, dat de meisjes in een rustige omgeving voorbereid konden worden op hun werk. Het leven in groepsverband bevorderde de sociale vaardigheden, terwijl tegelijk de groep onder controle werd gehouden. In ruil voor hun opleiding kregen de kraamverzorgsters kost en inwoning en zakgeld. In 1960 was dat bijvoorbeeld honderd gulden per maand. De internaatsperiode werd door de meeste kraamverzorgsters als een leuke tijd ervaren, waar ze als meiden onder elkaar ontzettend veel lol hadden. In de nieuwe opleiding werd veel aandacht besteed aan het vak pathologie, dat de kraamverzorgster in staat moest stellen afwijkingen in het kraambed beter te herkennen. Haar signalerende functie naar huisarts en vroedvrouw kreeg hierdoor een extra dimensie en ook haar verantwoordelijkheid nam hiermee flink toe. Bovendien werd er in de opleiding meer aandacht besteed aan huishoudkunde als vak. In de praktijk konden kraamverzorgsters hierdoor bewuster nee zeggen tegen opgedragen huishoudelijke karweitjes. Voor de beroepsvorming waren dit belangrijke veranderingen. Wanneer het theoretische onderricht voorbij was, ging de leerlinge stage lopen in het gezin. Het werk van de kraamverzorgster bestond uit het zorgen voor moeder en kind en het huishouden draaiende houden. Met de komst van apparaten als wasmachines en stofzuigers werd het huishoudelijk werk aanzienlijk verlicht. De kraamverzorgster kon steeds meer tijd besteden aan de contacten met moeder en kind en het geven van voorlichting en instructie. Begrippen als reinheid, rust en regelmaat moesten nog steeds in de praktijk worden gebracht, waarbij de leidster van het kraamcentrum een controlerende taak had. Hier kon de kraamverzorgster ook laten zien dat ze geleerd had tactvol, geduldig en flexibel te werken. Tijdens de praktijkperiode kwamen de leerlingen regelmatig terug op het internaat om het werk te bespreken. Van elk gezin, waar men kraamde, moest een verslag worden gemaakt en in totaal moest de kraamverzorgster 22 bevallingen hebben meegemaakt. De internaatopleiding werd in de loop der jaren nog diverse malen verbeterd, zoals bijvoorbeeld de herziening van 1971.
Hoewel de werkomstandigheden in de kraamzorg en de opleiding sinds 1950 sterk waren verbeterd, tobde het beroep toch met een negatief imago. Zo was de kraamverzorgster altijd afhankelijk van de vroedvrouw, kraamverpleegkundige of de leidster van het kraamcentrum. Ook stond de leerlingkraamverzorgster, net als de leerlingverpleegkundige in de interne opleiding, altijd in een afhankelijke positie van haar werkgever. Ze was immers leerling en werkneemster tegelijk. Bij problemen trok ze dan ook altijd aan het kortste eind. Was zij gezakt voor een bepaald onderdeel, dan hoefde ze zich niet meer bij een ander internaat te melden om de opleiding voort te zetten. Een voordeel van deze constructie was wel, dat de leerling na haar diploma altijd werk had via het kraamcentrum, waarbij ze was aangesloten. Nog steeds was men namelijk bang dat de kraamverzorgsters, als ze zich niet verbonden aan een centrum, ongecontroleerd gingen “wild bakeren”. Na 1976 was de kraamverzorgster echter vrij om te werken bij wie ze wilde.
Een beroep met een toekomst
Met het verdwijnen van de verschillende kruisverenigingen is de basis voor de internaatopleidingen vervallen. Het laatste internaat, de Cuurmand in Noordwijk, sloot in 1988 zijn deuren. Inmiddels heeft de opleiding voor kraamverzorgsters in 1983 een nieuwe impuls gekregen. Toen de oude opleidingenstructuur kwam te vervallen, werd de opleiding op modernere leest geschoeid, waarin de kraamverzorgende minder afhankelijk is van haar werkgever. Toch is het de vraag of deze vernieuwing heeft geleid tot een meer zelfbewuste beroepsgroep. Het beroep van kraamverzorgende wordt immers nog steeds ondergewaardeerd. Het lijkt soms wel of slechts diegenen, die direct profijt hebben van de kraamzorg, de gezinnen dus, het werk van de kraamverzorgende weten te waarderen. Want in het salaris komt die waardering niet tot uiting. De onregelmatige diensten, het geïsoleerd werken en de wisselende werksituaties worden nog steeds niet naar behoren beloond. Bovendien zijn ze slecht georganiseerd, net als andere groepen van verzorgende. Initiatieven vanuit de beroepsgroep zelf komen daarom maar moeizaam op gang, terwijl thuisbevallingen door de maatschappelijke veranderingen meer en meer onder druk komt te staan. In dit debat zal de beroepsgroep, net als verloskundigen dat doen, een geluid moeten laten horen en niet blijven afwachten op de achtergrond moeten blijven. En dat gebeurt tegenwoordig ook steeds meer. De laatste tijd zijn veel nieuwe initiatieven genomen, zoals de landelijke dag voor de kraamzorg (die een hoogtepunt aan het worden is in de kraamzorg), de beroepsorganisatie STING (waar kraamverzorgenden in het bestuur zitten), professionele vakbladen (waar praktische en inhoudelijke zaken over het werken in de kraamzorg worden besproken). Ook bij de NBvK, Nederlandse Belangenvereniging van Kraamverzorgenden doet men er alles aan om op te komen voor deze ondergewaardeerde groep. Hier laten kraamverzorgenden hun stem horen en komen ze zelf met ideeën en suggesties over inhoudelijke verbeteringen van hun vak. Het beroep van de kraamverzorgende is volop in ontwikkeling. En dat is precies wat nodig is, om het unieke beroep van kraamverzorgende voor de Nederlandse thuisbevalling te behouden.

2019-08-08 22:41:42

Man en vrouw trekken een vrachtschip door een binnenkanaal. 27 mei 1931.

2019-08-08 22:42:26

Mandenmaker

2019-10-25 13:09:58

Mandenmakers

2019-10-25 13:09:58

Marie Keizer aan de koffiemolen in haar kruidenierszaak, Amsterdam, 1959.

2019-10-25 13:09:58

Meisjes in een dekenfabriek 1914

2020-01-30 21:40:42

Melkboer aan huis tapt melk in een melkkannetje vanuit een melkbus op zijn kar, Haarlem, 1956.

2020-01-30 21:40:42

Menselijk apparaat om de vijand tehoren aankomen

Toen de radar nog niet was uitgevonden moesten militairen op hun eigen zintuigen vertrouwen om te weten te komen dat een vijandelijk vliegtuig naderde. Om hen te horen naderen, hadden ze een toestel ter beschikking dat met twee gigantische schotels de geluidsgolven al van ver kon opvangen

2020-01-30 21:40:42

Een mijnwerker of kompel is een arbeider in de mijnbouw, bijvoorbeeld in een kolenmijn of een goudmijn.

Mijnwerkers in Nederland en België

In Nederland en België zijn alle mijnen gesloten en daarom vindt men er geen kompels meer.
Kompels werkten over het algemeen in drieploegendiensten, waarbij achtereenvolgens elke ploeg acht uur in de mijn werkte. De nachtdienst was voorbehouden aan kompels van 18 jaar en ouder. De nachtdienst was in feite bestemd om die werkzaamheden uit te voeren waardoor het voor de dag- en middagdienst mogelijk was om uitsluitend met kolenwinning bezig te zijn. Te denken valt aan reparatie en onderhoud van machines, controle en reparatie van het kilometerslange spoorwegnet, de luchtverversing, de schachten, de transportbanden enz.
Mijnwerkers droegen op hun hoofd een elektrische petlamp, waarmee zij gericht op hun werk konden schijnen. Ook droegen sommige een mijnwerkerslamp bij zich, deze waarschuwde voor aanwezigheid van het zeer brandbare mijngas.
Elke kompel had een uniek nummer, dat op een penning was geslagen. Deze penning kreeg men bij de portier mee, en werd bij de ingang van de schacht afgegeven. Aan het einde van de dienst werd de penning weer in ontvangst genomen, en afgeleverd bij de portier. Op deze wijze kon men controleren of er geen kompels in de mijn waren achtergebleven.
Het werk in de mijnen was niet zonder gevaar. Het zeer brandbare en, onder bepaalde omstandigheden, explosief mijngas vormde steeds een verborgen dreiging voor de mijnwerkers. Ook bestond het gevaar dat bij een waterdoorbraak de mijngangen volliepen met water, waardoor de kompels konden verdrinken. Verder was er explosiegevaar door grauwvuur en een voortdurend aanwezig instortingsgevaar. Om dit laatste te voorkomen, werden de gangen gestut door middel van mijnhout. Later werd naast hout ook metaal gebruikt voor het stutten. Ter ondersteuning van de steengangen en galerijen werd gebruikgemaakt van stalen stijlen en kappen, deze bestonden uit stukken spoorrails. In de pijlers (de plaats waar de steenkool werd gewonnen) werden speciale, uitschuifbare stalen stempels toegepast. Het verschil tussen deze twee is dat de ondersteuning in mijngangen min of meer definitief was en pijlerondersteuning steeds verplaatst moest worden.
Door mijnrampen zijn veel mijnwerkers omgekomen, bijvoorbeeld de mijnramp van Marcinelle in België (1956). Elders in de wereld vinden nog regelmatig rampen in mijnen plaats. Het beroep van mijnwerker is nog steeds een gevaarlijk beroep.
Nieuwe kompels werden op een aantal mijnen ontgroend, met de koelstamp. Een kompel hield een schop tegen het achterwerk van de nieuweling, en een ander sloeg (zacht) met een moker op deze schop. Een kompel die deze behandeling had ondergaan was ontgroend, en een volwaardig collega. De opleiding voor mijnwerker duurde drie jaar. Het heette de Ondergrondse Vakschool. Daarom ook de afkorting O.V.S. de ochtend begon als O.V.S."er met de groet. Toen deed men de hand rechtop bij het voorhoofd. De kleding die een O.V.S."er droeg was een blauwe of grijze overall met het logo, stevige schoenen en een mijnpet op het hoofd.
De sanitaire voorzieningen in de mijn zelf waren beperkt tot een ton, die kiebel werd genoemd. Bovengronds was een waslokaal waar de kompels zich na de werkdag konden wassen en omkleden. De kleding werd aan een haak gehangen die door middel van een ketting naar het plafond werd gehesen. Het wassen was verplicht, daarbij wasten de kompels elkaars rug, dit werd poekkele genoemd.
Voor de komst van de elektriciteit werden paarden en voordien muilezels als trekdieren voor ondergronds transport gebruikt. Meestal bleven de dieren een jaar of tien onder de grond, door het jarenlange verblijf in de duisternis waren ze tegen de tijd dat ze bovengronds kwamen blind. Met het hooi en stro voor deze paarden kwamen ook muizen en ratten in de gangenstelsels, het was dan ook van belang dat de mijnwerkers hun boterhammen in metalen doosjes verpakten. Als drank werd in een aluminium drinkbus met beugelsluiting (d"r blèèch) koude thee of koffie meegenomen.
De patrones van de kompels is de heilige Barbara, de beschermvrouwe van de mensen met een gevaarlijk beroep. In Zuid-Limburg was haar feestdag, op 4 december, lange tijd een vrije dag. Oorspronkelijk, tot in de jaren dertig van de 19e eeuw, was de patrones van kompels echter de heilige Catharina.
Kompels werden getroffen door diverse beroepsziekten, zoals mijnwerkers-pneumoconiose en silicose (mijnwerkerslongen, stoflongen), mijnwerkers-nystagmus (oogsidderen) veroorzaakt door infecties met de mijnworm (Ancylostoma Duodenale), kruipknieën, diverse rugklachten en hernia inguinalis (liesbreuken).

2020-02-19 22:40:16

Bakker aan de deur

2020-02-19 22:40:16

Mijnwerkers in schachten

2020-02-19 22:40:16

Mijnwerkers uit Limburg lachend op de foto na het werk. Oktober 1946

2020-02-20 19:50:06

Deze kolen sjouwers- zorgde voor brandstof
Zodat wij ons huis konden verwarmen