Donderdag 29 augustus 2019 om 23:04

Download at: 11-3-2020 15:49:19

$i: Index | $pi: Padded Index | $an: Album Name | $d: Date | $dc: Date Compact
$c: Caption | $fc: Caption (First line) | $fw: Caption (First word)
$t: Tag | $ft: First Tag | $o: Original file name

Preview:


Filter Photos By:

Caption:
Tag:
Comment:

2018-08-15 21:15:14

Bessie Turf
De grondlegger van de eerste Bessie Turf stripboeken is de Engelsman Frank Richards die met tweelingbroer Billie Turf in de eerste helft van de vorige eeuw een gouden formule in handen had. De eerste Bessie"s verschenen in 1963 in damesweekblad Libelle en in de jaren zeventig verschenen ze in het meisjesblad Tina. Sinds 1966 verschenen er albums waarin de unieke verhalen werden gebundeld.

Bessie Turf
Bessie Turf is een zeer humoristisch Engels kostschoolmeisje die, altijd uit op eten, tezamen met haar geduldige vriendin Rita Rommelaar, haar strenge lerares Juffrouw Schimmel, de schoolkokkin Kokkie en haar klasgenoten dolle avonturen beleeft die gelukkig meestal goed aflopen. Bessie is als het ware een karikatuur, een onvoorstelbaar dik en eeuwig hongerig meisje, gekleed in een rood/zwart schooluniform en geelblond kort haar. Ze is niet geïnteresseerd in het halen van goede schoolcijfers en niet bang om haar nek uit te steken als ze eten in het vizier heeft, waarna ze zich door haar ondeugende gedrag regelmatig in de nesten werkt. De lezer kan niet anders dan om haar lachen en al lezende wordt zij een dierbare vriendin, zo eentje die je zelf zou willen hebben.

Bessie"s voortdurende zoektocht naar voedsel is op het aandoenlijke af en de lezer voelt zelfs meelij als het haar niet lukte om haar zin te krijgen en de strip zelfs eindigde met een pruilende Bessie die duizend strafregels moest schrijven. In elk geval was dat altijd nog beter dan de straffen die broerlief Billie te verduren kreeg, namelijk een serie heftige stokslagen van zijn Meester Kwel, waarbij de pijnkreten niet van de lucht waren. Bessie"s strips zijn in die zin de milde versie van die van Billie, vermoedelijk om aan te geven dat een jongenskostschool een strenger beleid kent dan een meisjeskostschool en zeker in die tijd waarin lijfstraffen niet verboden waren.

2018-08-15 21:15:14

Billie Turf
Billie Turf is een stripfiguur. Zijn bijnaam is "het dikste studentje ter wereld". In de jaren zestig en zeventig verschenen de avonturen van Billie Turf in Sjors en later nog eens in Eppo en Eppo Wordt Vervolgd. In de jaren zestig hebben de strips ook in Libelle gestaan.
De strip was een vertaling van de Engelse strip Billy Bunter. Deze strip was gebaseerd op boeken van Frank Richards (pseudoniem van Charles Hamilton). In de Nederlandse vertaling van die boeken heette het personage Billy Blunder. Dit was in de jaren 20 van de vorige eeuw.[bron?]
Billie is dol op taartjes, maar maakt zijn huiswerk zelden. Zijn antwoorden op proefwerkvragen luiden dan ook meestal: "weet niet", of: "onbekend". Andere figuren uit de strip zijn meester Kwel, en Bessie Turf, het al even dikke zusje van Billie die ook een eigen stripserie had. Kwel heeft de gewoonte om na het lezen van Billie"s proefwerkantwoorden Billie met een Spaans rietje op zijn omvangrijke achterwerk te slaan.[1] De strips die in Nederland werden gepubliceerd waren veelal van de hand van de tekenaar Reg Parlett.

2018-08-15 21:15:14

Arja Peters
De Olijke Tweeling
De serie gaat over twee zusjes, de tweeling Ellis en Thelma Bongers, die allerlei avonturen beleven. Ze hebben twee broertjes, Lex en Leo (ook een tweeling), die door hun oudere zussen Loe-Loe genoemd worden. De hond Spikkel en hun kat Bengeltje komen in vele verhalen voor. De natuurlijke moeder van Ellis en Thelma is overleden.
Hun vader heeft gezocht naar kinderjuffrouwen, maar Ellis en Thelma zorgden ervoor dat ze weer vertrokken. Ten slotte vond de tweeling zelf een kinderjuf die zowel bij hun vader als bij henzelf in de smaak viel. Nadat hij met haar trouwde, hadden Ellis en Thelma weer een moeder. Eerst noemden ze haar tante Betty, maar later gewoon "mam".

2018-08-15 21:15:14

Schoolboekje

2018-08-15 21:15:14

Henri Arnoldus
Pietje Puk gaat vissen
Pietje Puk is de postbode van Keteldorp, een klein dorpje in Nederland met slechts 10 straten en zo"n 400 inwoners. Hij is de vriend van alle kinderen. Hij staat altijd voor anderen klaar en helpt bijvoorbeeld het zilveren huwelijksfeest van agent Langdraad te organiseren. Daarnaast haalt hij ook dolle streken uit, zo bezorgt hij een keer alle post expres op de verkeerde adressen.
Hij woont in een post- en telegraafkantoortje met slechts één loket. Het heeft groene ruitjes en een rode deur. Hij doet steeds geheimzinnig over zijn echte leeftijd, maar in boek 20, Pietje Puk en zijn vrienden, wordt Pietje 50 jaar en 25 jaar postbode op dezelfde vrijdag.

2018-08-15 21:15:14

Een kabouterpaar genaamd Piggelmee en Tureluur wonen in een oude Keulse pot. Ze hebben Van Nelle-koffie. Een tovervis laat hen wensen doen. Het vrouwtje Tureluur vraagt of er betere koffie is dan Van Nelle, maar de vis zegt dat er geen betere koffie is en draait de wensen terug. Vervolgens beleven ze nog andere avonturen die draaien rond de koffie.

2018-08-15 21:15:14

Okkie-Taptoe vakantieboek

2018-08-15 21:15:14

Sjors en Sjimmie
De geschiedenis van de strip begint in 1902. In dat jaar verschijnt er in een Amerikaanse krant een strip met het jongetje Buster Brown in de hoofdrol, getekend door Richard Felton Outcault. De strip werd een succes, en voortgezet tot 1921. Perry Winkle (het woord "periwinkle" kan maagdenpalm betekenen, maar ook alikruik) lijkt in vele opzichten op zijn voorganger Buster Brown. Hij heeft ook een pagekapsel en draagt een matrozenpakje. Hij figureert in de door Martin Branner getekende krantenstrip en heeft een zusje Winnie Winkle.
Vanaf 1929 verscheen Perry Winkle ook in Nederland, eerst op de achterkant van het weekblad De Humorist en vanaf 1930 in de kinderbijlage van het blad Panorama. Toen de Amerikanen vanaf 1938 meer aandacht kregen voor Winnie, het zusje van Perry, werd er besloten om een Nederlandse versie van de strip te maken. Deze Nederlandse versie werd getekend door Frans Piët. Hij vernederlandste de verhalen door wolkenkrabbers te vervangen door molens en andere bekende Nederlandse taferelen. In 1941 verscheen het eerste verhaal in albumvorm.
Na de oorlog ontmoette Sjors na een lange reis in een circus een donker jongetje Sjimmie, toen nog Jimmy. Zij werden onafscheidelijk. Jimmy werd getekend als een cliché-"negroïdejongetje" met dikke lippen, die qua intelligentie erg voor Sjors onderdoet, en krom praat in een soort van indianentaal ("Sjimmie niet weten wat hij doen moeten"). Aanvankelijk had hij kroeshaar, maar omdat de tekenaar dat te bewerkelijk vond, kreeg hij een kaal hoofd met een paar losse haren.
Sjors en Sjimmie richten de Rebellenclub op, en beleven allerlei avonturen, waaronder een geïnspireerd door de leeuw die zijn vroegere weldoener herkent van de hand van de klassiek-Romeinse schrijver Aulus Gellius. De verhalen werden ook in boekvorm gepubliceerd, in grote stripboeken die in afwisselend zwart-wit en kleuren werden gedrukt. Toen het tijdschrift Sjors werd opgericht, werden de karakters van Sjors en Sjimmie wat braver. In die jaren verschenen ook de klassieke albums Sjors en Sjimmie als journalisten, Sjors en Sjimmie en de Gasbel, Sjors en Sjimmie en de geheimzinnige duikboot en Sjors en Sjimmie en de bromstar. Toen het tijdschrift Sjors eind jaren 60 werd gemoderniseerd, ging de striptekenaar Jan Kruis Sjors en Sjimmie maken, en kregen de figuren een meer eigentijds uiterlijk. Hij kreeg hierbij hulp van scenarist Martin Lodewijk In 1970 nam Jan Steeman de strip over, die deze stijl voortzette.

2018-08-15 21:15:14

Sjors en Sjimmie
De geschiedenis van de strip begint in 1902. In dat jaar verschijnt er in een Amerikaanse krant een strip met het jongetje Buster Brown in de hoofdrol, getekend door Richard Felton Outcault. De strip werd een succes, en voortgezet tot 1921. Perry Winkle (het woord "periwinkle" kan maagdenpalm betekenen, maar ook alikruik) lijkt in vele opzichten op zijn voorganger Buster Brown. Hij heeft ook een pagekapsel en draagt een matrozenpakje. Hij figureert in de door Martin Branner getekende krantenstrip en heeft een zusje Winnie Winkle.
Vanaf 1929 verscheen Perry Winkle ook in Nederland, eerst op de achterkant van het weekblad De Humorist en vanaf 1930 in de kinderbijlage van het blad Panorama. Toen de Amerikanen vanaf 1938 meer aandacht kregen voor Winnie, het zusje van Perry, werd er besloten om een Nederlandse versie van de strip te maken. Deze Nederlandse versie werd getekend door Frans Piët. Hij vernederlandste de verhalen door wolkenkrabbers te vervangen door molens en andere bekende Nederlandse taferelen. In 1941 verscheen het eerste verhaal in albumvorm.
Na de oorlog ontmoette Sjors na een lange reis in een circus een donker jongetje Sjimmie, toen nog Jimmy. Zij werden onafscheidelijk. Jimmy werd getekend als een cliché-"negroïdejongetje" met dikke lippen, die qua intelligentie erg voor Sjors onderdoet, en krom praat in een soort van indianentaal ("Sjimmie niet weten wat hij doen moeten"). Aanvankelijk had hij kroeshaar, maar omdat de tekenaar dat te bewerkelijk vond, kreeg hij een kaal hoofd met een paar losse haren.
Sjors en Sjimmie richten de Rebellenclub op, en beleven allerlei avonturen, waaronder een geïnspireerd door de leeuw die zijn vroegere weldoener herkent van de hand van de klassiek-Romeinse schrijver Aulus Gellius. De verhalen werden ook in boekvorm gepubliceerd, in grote stripboeken die in afwisselend zwart-wit en kleuren werden gedrukt. Toen het tijdschrift Sjors werd opgericht, werden de karakters van Sjors en Sjimmie wat braver. In die jaren verschenen ook de klassieke albums Sjors en Sjimmie als journalisten, Sjors en Sjimmie en de Gasbel, Sjors en Sjimmie en de geheimzinnige duikboot en Sjors en Sjimmie en de bromstar. Toen het tijdschrift Sjors eind jaren 60 werd gemoderniseerd, ging de striptekenaar Jan Kruis Sjors en Sjimmie maken, en kregen de figuren een meer eigentijds uiterlijk. Hij kreeg hierbij hulp van scenarist Martin Lodewijk In 1970 nam Jan Steeman de strip over, die deze stijl voortzette.

2018-08-24 11:18:01

ABC boekje Rie Cramer

Abc-boekjes zijn boekjes waarmee vanaf de 15e eeuw aan kinderen het alfabet werd aangeleerd. Deze boekjes werden uitgegeven in de vorm van kleine boekjes, ook wel haneboeken. Ook bestonden er abc-boekjes in de vorm van leesplankjes die vanwege de hoornlaag waarmee ze waren bedekt, hornbooks werden genoemd. Meestal begonnen ze met het alfabet en dan de belangrijkste gebeden en teksten uit de catechismus.
De letters van het alfabet in het abc-boekje kunnen op verschillende manier aangeboden worden. Er kunnen hoofdletters, kleine letters of deze twee samen gebruikt worden. Bij de letters kunnen kernwoorden staan die de letter bevatten bijvoorbeeld A van Aap . Ook kan er een afbeelding bij staan die bij de letter of klank hoort.
Tegenwoordig zijn de authentieke boekjes niet meer in het onderwijs te gebruiken. De letternamen staan in de abc-boekjes namelijk centraal en niet de klanken van de letters, zoals tegenwoordig wordt aangeleerd. Er worden wel nieuwe, literaire vormen van de boekjes geschreven, onder andere door Max Velthuijs of Christopher Logue.

2018-08-24 11:18:01

Afke"s Tiental Nienke Hichtum

Afke"s tiental is een jeugdboek dat is geschreven door Nienke van Hichtum (pseudoniem van Sjoukje Maria Diderika Troelstra-Bokma de Boer, 1860-1939). De illustraties zijn gemaakt door Cornelis Jetses en Johan Herman Isings. Het is het verhaal over een arm gezin met tien kleine kinderen, dat aan het einde van de 19e eeuw op het Friese platteland leefde. Door de zorgzaamheid van moeder Afke werd het een gelukkig gezin, waarin men veel voor elkaar over had.

Hoofdpersonen[bewerken]
Moeder Afke , vader Marten, Watse (de oudste zoon, 18 jaar), Wiepkje (de oudste dochter, 16 jaar), Eeltje (14 jaar), Jouke (12 jaar), Klaas (10 jaar), Jetse (8 jaar), Boukje (6 jaar), Sietske (4 jaar), Wiebe (peuter), Sipke (baby), Saapke (baker), Ate Jetske (buurvrouw)

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.
Afke, de moeder van een arm gezin, is net bevallen van haar tiende kind. Ze heeft grote moeite om het hele gezin te onderhouden en daarom moeten de vader en Eeltje en Jouke voortdurend bijspringen. Doordat het midden in de winter is en er in huis geen verwarming is, is het vaak erg koud. Afkes oudste dochter Wiepkje, die in Leeuwarden als dienstmeisje werkt, besluit haar moeder wat te ontlasten door Boukje en Sietske een paar weken mee uit logeren te nemen bij haar werkgeefster, maar de kinderen lopen weg en verdwalen in de stad. Inmiddels maken de andere kinderen ook van alles mee, onder meer met de veldwachter. In het voorjaar krijgt Watse, de oudste zoon die in het leger is, dienstverlof en keert terug naar de rest van het gezin.

2018-08-24 11:18:01

Alleen op de wereld

(Frans: Sans famille) is een jeugdavonturenroman van de Franse schrijver Hector Malot. Het boek werd voor het eerst gepubliceerd in 1878 en is meerdere keren verfilmd.
Het verhaal gaat over de vondeling Remi en de zoektocht naar zijn afkomst.

Jérôme Barberin woont met zijn vrouw in het (fictieve) dorpje Chavanon, vermoedelijk in Puy-de-Dôme. Hij is meestal niet thuis, want hij werkt als steenhouwer in Parijs.
Op een dag vindt hij een kind van een paar maanden. Aan de kleertjes kan Barberin zien dat het kind rijke ouders heeft. De vraag speelt op waarom het kind in Parijs te vondeling is gelegd. Jérôme Barberin is een vrij ruwe man die niet in een kind geïnteresseerd is. Hij hoopt echter dat de rijke ouders het kind komen ophalen en hem een beloning geven. Hij geeft de baby aan zijn vrouw en noemt hem Remi.
Als Barberin na een aantal jaren in financiële problemen komt, schrijft hij zijn vrouw dat zij haar koe (een belangrijke bron van welvaart) en Remi weg moet doen. Ze verkoopt de koe, maar ze houdt Remi, die een gelukkige jeugd heeft zonder een idee te hebben dat moeder Barberin eigenlijk niet zijn echte moeder is.

Het boek begint als Remi 8 jaar is. Jérôme komt onverwacht terug naar huis. Als hij ziet dat Remi er nog is, besluit hij meteen actie te ondernemen om zich van het kind te ontdoen. De volgende dag ontmoet Jérôme een reizende artiest, de Italiaan Vitalis. Deze biedt aan de zorg voor Remi op zich te nemen. Jérôme kan dat aanbod niet afslaan en Remi wordt door Vitalis meegenomen zonder zelfs de kans te hebben van zijn pleegmoeder afscheid te nemen. Moeder Barberin zou er namelijk alles aan hebben gedaan om de transactie te voorkomen.


Vitalis, Remi en de dieren
Vitalis heeft een aantal gedresseerde dieren bij zich: het aapje Joli-Cœur en drie honden: Capi, Dolce en Zerbino. Samen trekken ze Frankrijk door en ze verdienen de kost met toneel- en muziekuitvoeringen. Vitalis is streng, maar ook vriendelijk en eerlijk. Hij leert Remi lezen en schrijven en hij leert hem zelfs te spelen op de harp.
Tijdens een optreden in Toulouse krijgt Vitalis een conflict met de politie en wordt hij veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf. Nu is Remi met de dieren op zichzelf aangewezen. Hij probeert met uitvoeringen de kost te verdienen, maar dat lukt hem niet zonder de uitstraling van Vitalis. Dan ziet Remi een merkwaardige boot op het Canal du Midi. Het is Le Cygne (De Zwaan), de woonboot van de Engelse mevrouw Milligan en haar zieke zoon Arthur. Arthur is gedwongen een tijd lang stil in bed te liggen. Zijn moeder heeft Le Cygne laten bouwen om haar zoon nog wat afleiding te geven. Remi en Arthur worden vrienden en Remi mag bij hen op de boot logeren.
Wanneer Vitalis weer vrijkomt, laat Remi hem weten waar hij is. Iedereen hoopt dat Vitalis afstand van hem zal doen, maar Vitalis denkt daar anders over. Zo hervatten Remi en Vitalis hun zwerversleven.
Tijdens een sneeuwstorm schuilen ze in een schuur, terwijl ze omsingeld worden door wolven. Dolce en Zerbino worden door de wolven verslonden en Joli-Cœur loopt een longontsteking op. Vitalis heeft nu dringend geld nodig om een dokter te kunnen betalen. Hij besluit te gaan zingen, wat Remi hem nooit eerder heeft horen doen. Een vrouw laat weten dat ze erg onder de indruk is van Vitalis" stem en doet een royale gift in het bakje, maar Vitalis wil niets met de vrouw te maken hebben. Ondanks de goede zorg gaat Joli-Cœur ook dood.
Vitalis besluit naar Parijs te gaan om nieuwe dieren te kopen en te dresseren. Hij besluit Remi enige tijd onder te brengen bij een vriend van hem, Garofoli, die onderdak biedt aan een aantal jongens. Als ze bij Garofoli komen, ziet Vitalis dat zijn vriend een bullebak is die zijn jongens slaat als ze niet genoeg geld thuisbrengen. Vitalis dreigt met de politie. Garofoli dreigt daarop geheimen van Vitalis te onthullen, waarmee hij Vitalis de mond snoert. Vitalis gaat weg en neemt Remi mee. Hij heeft geen vertrouwen in de gastvrijheid van de Parijzenaren en die nacht vinden ze geen onderdak. Ze vallen in de sneeuw in slaap.
De volgende ochtend wordt Remi wakker in het huis van Pierre Acquin en zijn vier kinderen Étiennette, Alexis, Benjamin en Lise (in vertalingen ook Martha, Alex, Benjamin en Lize). Acquin heeft Remi en Vitalis die ochtend voor zijn deur gevonden. Vitalis bleek al gestorven te zijn, Remi is vermoedelijk blijven leven doordat de hond, Capi, hem warm heeft gehouden. Wanneer Vitalis begraven wordt, willen de autoriteiten weten wie hij is. Remi weet niets van Vitalis, maar zegt dat Garofoli meer weet. Garofoli onthult dat Vitalis in werkelijkheid de beroemde Italiaanse zanger Carlo Balzani was. Toen Balzani ouder werd, ging zijn stem achteruit. Daar schaamde hij zich zo voor dat hij besloot een andere identiteit aan te nemen.
Het blijkt dat Vitalis zich vergist heeft in de Parijse gastvrijheid, want Remi wordt door Pierre Acquin in huis genomen. Acquin is een bloemenkweker. Remi heeft er een gelukkige tijd en hij trekt vooral veel op met Acquins jongste dochter Lise. Na twee jaar wordt de oogst van Acquin verwoest door een onverwachte hagelbui. Dat is een enorme ramp voor het gezin. Uiteindelijk gaat Acquin zelfs naar de gevangenis omdat hij zijn schulden niet kan betalen. De kinderen worden door verschillende ooms en tantes opgevangen. Remi, die niet als familielid wordt erkend, blijft alleen achter.

2018-08-24 11:18:01

Arendsoog

Arendsoog is een Nederlandse kinderboekenserie geschreven door Jan Nowee en later door zijn zoon Paul Nowee.
Jan Nowee was schoolhoofd van de Paulusschool in Den Haag. In zijn vrije tijd deed hij onder andere vrijwilligerswerk in de rooms-katholieke Vincentius-bibliotheek. Daar werd Nowee geconfronteerd met kinderen, vooral jongens, die op zoek waren naar cowboyverhalen, maar die daar niet konden vinden. De boeken van Karl May waren vaak nog te moeilijk en te ruw in taalgebruik voor deze jongeren en voor de rest was er eigenlijk niets in dat genre voorhanden.
Nowee besloot zelf een boek te gaan schrijven. In 1935 was hij klaar met zijn boek, dat hij Arendsoog noemde, naar de held uit het boek. Johannes Nowee schreef in 1936 deel 2: Witte Veder. Pas na de Tweede Wereldoorlog verscheen in 1949 deel 3 uit de serie. Toen de KRO in 1950 een hoorspel van Arendsoog ging uitzenden, werden de boeken pas echt bekend en werd Arendsoog onder jong en oud een begrip. In 1958 overleed Johannes Nowee plotseling, terwijl hij halverwege deel 20 was. Zijn zoon Paul besloot dit deel af te schrijven en schreef nog 43 andere delen totdat hij in 1993 zelf stierf.
In de Arendsoogboeken wordt geen blad voor de mond genomen over misstanden als de onderdrukking van de Indianen of de slavenhandel. De katholieke Kerk speelt, geheel naar de geest van de tijd, in de eerste delen in de gedaante van een pater een niet onbelangrijke beschavende rol.

2018-08-24 11:18:01

Sinds de dood van zijn vader is het de missie van Arendsoog om schurken die hun straf dreigen te ontlopen achter de tralies te brengen. Hij wordt daarbij gesteund door zijn vriend, de indiaan Witte Veder.

2018-08-24 11:18:01

Bulletje en Bonestaak

Adrianus Michiel de Jong (Nieuw-Vossemeer, 29 maart 1888 – Blaricum, 18 oktober 1943) was een Nederlandse schrijver. Hij publiceerde zijn meeste werk onder eigen naam (A.M. de Jong), maar enkele werken werden onder pseudoniem uitgegeven (Frank van Waes, Herbert D. Ross).
De Jong werd geboren in Nieuw-Vossemeer, een dorp in het westelijk deel van Noord-Brabant. Het gezin had 13 kinderen. De Jongs vader was landarbeider, en ging op zoek naar meer welvaart als arbeider in Rotterdam. Veel van De Jongs jeugdherinneringen zijn verwerkt in de romancyclus Merijntje Gijzens jeugd en jonge jaren.
Tijdens de mobilisatie in de Eerste Wereldoorlog werd De Jong opgeroepen voor dienst. Vanuit zijn gevoel voor onrecht publiceerde hij in zijn Notities van een landstormman kritische stukken over de situatie in het Nederlandse leger. Als gevolg daarvan werd De Jong van de officiersopleiding verwijderd. Later zou hij deze ervaringen verwerken in zijn roman Frank van Wezels roemruchte jaren.
A.M. de Jong schreef de teksten voor de strip Bulletje en Boonestaak, waarvoor hij in 1922 de in Nederland wonende Belg George van Raemdonck aantrok voor het maken van de tekeningen. Deze strip wordt tegenwoordig als een klassieker beschouwd, zowel wegens de gedurfde tekeningen als de controversiële onderwerpen van De Jong.
In augustus 1930 begon De Jong als medewerker bij de VARA, waar hij tot na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog verantwoordelijk zou zijn voor de wekelijkse boekenrubriek. Vanaf de jaren twintig was hij daarnaast literatuurcriticus voor het dagblad Het Volk.
In 1942 werd De Jong wegens zijn socialistische sympathieën door de Duitsers gearresteerd, maar al snel weer vrijgelaten wegens zijn slechte gezondheid. Als represaille voor de moord op een aantal NSB"ers werd De Jong in 1943 vermoord door Nederlandse SS"ers, een van de zogenaamde Silbertanne-acties.
In 1974 werd in zijn geboorteplaats Nieuw-Vossemeer het A.M. de Jong-museum geopend.
In 2001 kwam er een biografie uit, geschreven door de neef van A.M. de Jong, Mels de Jong.

Portret van de twee beste vrienden, die ooit samen kwajongensstreken uithaalden. Waarom de een Bonestaak en de andere Bulletje genoemd werd, hoef ik zeker niemand uit te leggen? Ze waren een beetje berucht in de buurt en hun namen werden altijd in één adem genoemd, want waar je Bonestaak zag, daar zag je ook Bulletje, en àls je Bulletje misschien een oogenblikje alleen zag, kon je zeker zijn, dat Boonestaak ergens vlak in de buurt was.

2018-08-24 11:18:01

De Baard van Daantje (1931) was het eerste boek dat Leonard Roggeveen schreef over Daantje. Samen met de boeken over Bram Vingerling en over Okkie Pepernoot zijn de Daantje-boeken de bekendste boeken die Roggeveen schreef.
Kostelijk kleuterverhaaltje over Daantje, een goedig-dom mannetje, dat door een val in het prikkeldraad zijn mooie baard verspeelt en door niemand herkend wordt. Om voor te lezen; ook om zelf te lezen door iets grotere kinderen

2018-09-02 19:14:38

Oscar en Isidoor - De krans van vuur

2018-09-10 08:37:26

Blueberry

(Engels voor "blauwe bes" of "bosbes") is het hoofdpersonage in een reeks realistische westernstrips, een creatie van de Waalse stripauteur Jean-Michel Charlier en de Franse tekenaar Jean Giraud. De eerste aflevering verscheen in 1963 in het Franse stripblad Pilote. In 1965 kwam het eerste album uit. In Nederland werden de verhalen voorgepubliceerd in Pep (vanaf 1968) en later in Eppo, Eppo Wordt Vervolgd en Sjosji. De strip speelt zich af in de jaren na de Amerikaanse Burgeroorlog. Aanvankelijk zijn de verhalen stevig geworteld in de klassieke mythologie van het Wilde Westen waarbij de makers veel van hun inspiratie gevonden lijken te hebben in de cavalerietrilogie van filmregisseur John Ford. Maar al snel krijgt de reeks het karakter van een spaghettiwestern met als belangrijkste thema"s wraak, hebzucht en verraad. Hoofdpersoon Mike Steve Blueberry Donovan (gemodelleerd naar acteur Jean-Paul Belmondo) verwordt tot een antiheld die voortdurend op de vlucht is.
Na de dood van Charlier continueert tekenaar Giraud de reeks met scenario"s van eigen hand. In de laatste delen (Vanaf Mister Blueberry) verandert de reeks opnieuw van karakter. Giraud kiest voor het genre van de revisionistische western en maakt een deconstructie van zijn geesteskind.

2018-09-10 08:37:26

De Doopkaars


Geschreven door Moeder Everma
Pseudoniem van Sophie Kleverlaan - Grolman (1909-1984)
Verschenen in 3 delen in het jeugdtijdschrift voor het Katholieke gezin: De Engelbewaarder van oktober 1951 t/m april 1952 - oktober 1952 tot en met april 1953 en oktober 1953 tot en met april 1954.
De gebundelde jaargangen, 1963/1964/1965, hebben de titel De Gouden Wiek. In deze 3 jaargangen staan 39 afbeeldingen die betrekking hebben op het boek.
De Engelbewaarder was een uitgave van het R.K. Jongensweeshuis - Tilburg
Heruitgegeven in 1954 door B. Gottmers Uitgeversbedrijf - Nijmegen,
en in 1988 door de Schaduw - Tilburg
Het boek bestaat uit drie delen:
1. Josje - Zondagskind - Gelukskind
2. Hilde, Jos" ogen
3. Jos" hart vindt het licht
Korte inhoud:
Eerste deel: Het gezin Bartels woont in Heiloo, Vader, Moeder en twee dochtertjes Greetje en Hilde. Op een nacht wordt Hilde door vader wakker gemaakt, omdat er een broertje is geboren. Wat is het gezin blij. Het kindje wordt gedoopt en ontvangt een doopkaars.
Na enige tijd blijkt echter dat Josje, zoals het broertje genoemd wordt, blind is. Dat geeft veel verdriet in het gezin, vooral Moeder kan dit moeilijk verwerken. De kleine Hilde is dol op haar broertje en helpt zoveel ze kan. Ze poetst de kinderwagen blinkend, en dan gaan ze op een dag voor het eerst naar buiten met Josje in de kinderwagen. Het wordt een heerlijke dag in het bos. Vader vertelt dat er voor blinde kinderen in Grave (bij Nijmegen) een school is, waar zij een hoop kunnen leren.
Als Josje 4 jaar is en met Hilde een wandeling maakt, ontmoeten ze een kwade man, die achter jongens aanzit die appels gestolen hebben. Het is de eenzame stakkerd de Munk, die later goede vrienden wordt met Josje. Hij komt nu vaak bij Josje thuis en wordt door de kinderen Oom Albert genoemd.
Als met Kerstmis Oom Jan en Tante Bets op visite zijn en Oom Jan viool speelt, vindt Josje dit zo prachtig, dat hij de muziek wil "zien". Hij wil ook spelen, en Oom voorspelt dat Josje later vast violist gaat worden.
Na de zomervakantie gaat Hilde naar de kweekschool, zij wil onderwijzeres worden. Josje wordt door Vader en Moeder naar Grave gebracht naar de Sint Henricusstichting, waar de fraters voortaan voor hem gaan zorgen. In zijn koffertje heeft hij een lang wit pakje mee, waarin zijn doopkaars zit.
Tweede deel: Hilde is nu 20 jaar, Greet 17 en Jos 13. Van Oom Albert krijgt Jos de viool van zijn overleden vrouw, die een beroemd violiste was. Oom Albert zal ook Jos" muziekstudie betalen. Hilde wordt verliefd op een jongen, die niet katholiek is. Vader verbiedt haar de omgang met die jongen, hij vindt hem slap en niet deugen, want, zo zegt hij:"Twee geloven op één kussen, daar zit de duivel tussen." Hilde heeft hier groot verdriet van, doch als zij hem later met een ander meisje in de bioscoop ziet, kan Hilde er weer om lachen.
Greet besluit later in het klooster te gaan en voor de missie te gaan werken
Oma overlijdt, haar doopkaars brandt op, daar is het gezin erg verdrietig over, doch als ook Oom Albert door een hartverlamming komt te overlijden, is Jos ontroostbaar. Hij wil geen muziek meer maken. Oom Albert laat Jos al zijn bezittingen na, waaronder een zomerhuisje in Hoog Soeren, "het Rozenhuisje".
In de zomervakantie gaat het gezin daar vakantie houden en Hilde ontmoet daar tijdens een wandeling een blinde jongen. Het is Hans Karelse, die met zijn Moeder in het zomerhuisje naast het gezin Bartels logeert. Hans speelt prachtig piano en is muziekleraar. Hij woont met zijn Moeder in Amsterdam.
Hans en Jos spelen veel samen en zo komt Jos over zijn verdriet van de dood van Oom Albert heen. Hilde en Hans worden verliefd op elkaar en omdat Hans katholiek is en Hilde en hij ècht van elkaar houden, heeft Vader hier geen bezwaar tegen.
Na de verloving vertrekt Jos naar Amsterdam om aldaar het conservatorium te gaan volgen. Hij zal bij Hans en zijn Moeder gaan inwonen. Hans hoort van de oogarts dat er een oogtransplantatie mogelijk is, waardoor hij weer zal kunnen zien. Hilda en Hans trouwen en enkele dagen na hun huwelijk zal Hans geopereerd worden.
Derde deel: Hilde en Hans krijgen een zoon: Peter. Hans is geopereerd en kan weer zien. Dit is niet aan Jos verteld, omdat Hilde niet weet of Jos dit aankan. Als Jos er een jaar later achterkomt dat Hilde Hans" geslaagde operatie voor hem verzwegen heeft, wil hij niets meer van Hilde en Hans weten. Hij neemt het Hilde kwalijk dat zij gezwegen heeft uit medelijden.
Als er een beroemd violist, vlak voor een concert, ziek wordt, mag Jos invallen. Hij speelt schitterend en krijgt een staande ovatie. Z"n hele familie is er bij aanwezig, doch na afloop wil hij weer niets van Hilde en Hans weten.
Vader wordt ziek, de dokter constateert maagkanker. Er komt nu als hulp een nieuw meisje in huis. Emmy de Wild, een beschermeling van de dokter. Tussen Emmy en Jos ontwikkelt zich een sterke vriendschap, die in liefde uitmondt.
Het laatste Sinterklaasfeest met vader zal gevierd worden en om met z"n allen bij elkaar te zijn, vraagt Emmy aan Jos om het weer bij te leggen met Hilde en Hans. Omdat Hilde haar tweede kindje verwacht, geeft Jos toe en reist naar Amsterdam, daar wordt alles weer goed. Hans en Jos besluiten nu om samen concerten te gaan geven. Hilde gaat, na de geboorte van haar tweeling, permanent in Hoog Soeren wonen met Hans" moeder.
Vader overlijdt en moeder gaat nu ook in Hoog Soeren wonen, zodat ze allemaal weer bij elkaar zullen zijn. Jos en Emmy trouwen en als Emmy een kindje verwacht, is Jos bang dat het kindje blind zal zijn. Gelukkig blijkt dit niet zo te zijn. Het kindje heeft "twee stralende ogen". Nu is Jos gelukkig, hij voelt zich een zondagskind en een gelukskind.

2018-09-10 08:37:26

Dick Bos is een Nederlandse stripreeks van Alfred Mazure.
In de verhalen is Dick Bos een particuliere detective die de misdaad op harde maar eerlijke wijze bestrijdt, en die expert is in jiujitsu. Technieken van deze zelfverdedigingskunst werden gedetailleerd in de strips weergegeven.

2018-09-10 08:37:26

Dik Trom

Cornelis Johannes Kieviet (Hoofddorp, 3 maart 1858 – Wassenaar, 12 augustus 1931) was een Nederlandse onderwijzer en schrijver van jeugdboeken. Publicerend onder de naam C. Joh. Kieviet was hij de schepper van de beroemde romanfiguur Dik Trom.
Omdat de hoofdpersoon een stoute jongen was, niet de in de 19e eeuw gebruikelijke brave hendrik, kostte het Kieviet oorspronkelijk moeite een uitgever voor zijn boek te vinden. Via vrienden kwam hij uit bij Pieter Kluitman. Uit het leven van Dik Trom werd voor het eerst gepubliceerd in november 1891. Dit boek is geïllustreerd met vier chromolitho"s, zoals vaak gebeurde in deze periode.
Het duurde acht jaar voordat de eerste druk was uitverkocht. De tweede druk werd door Johan Braakensiek in zwart-wit geïllustreerd met vele humoristische grotere en kleinere tekeningen. Deze versie verscheen in 1899 en vanaf dat jaar begon de verkoop te lopen. In 1901 verscheen een niet als zodanig gekenmerkte derde druk met extra reclamepagina"s aan het eind. De officiële derde, maar dus eigenlijk vierde druk, verscheen in 1902. Tot aan de Tweede Wereldoorlog kwamen circa dertig drukken uit in allerlei verschillende verschijningsvormen. Dik Trom was door zijn bijzondere karakter een archetypisch Hollands jongetje geworden, dat ook op het toneel en in de film werd geportretteerd.

Over de brug in het dorp komt een prachtig rijtuig met een nog prachtiger paard aanrijden. Dik Trom herkent vrijwel meteen het paard, de hond die uit het rijtuig springt en de meneer op de bok. Het is meneer Costes die een dag uit jagen gaat op eenden. Hij vraagt of Dik meegaat om het te helpen met het dragen van zijn spullen. Dik aarzelt niet lang, want een kans op zo’n avontuur krijg je niet vaak. Tijdens de jacht vindt Dik een ooievaar die door een andere jager in zijn vleugel en zijn poot is geschoten. Hij wil het beest mee naar huis nemen om het te verzorgen. hij hoopt dat de ooievaar snel zal opknappen, maar komt er algauw achter dat dat niet meevalt. Dik moet namelijk heel veel kikkers vangen om de honger van de ooievaar te stillen. Bijna al de tijd die hij vrij is, moet hij besteden aan het vangen van kikkers, kikkers, en nog een kikkers. Wel honderden!

2018-09-10 08:37:26

Duppie's avonturen - 1962 lot van 9 boekjes van tekenaar Kuppens en op de markt gebracht door de NGV kruidenier

2018-10-16 19:01:22

De brief voor de koning

is een gelauwerd jeugdboek geschreven door Tonke Dragt. Het boek kwam uit in 1962 en wordt uitgegeven door uitgeverij Leopold.

Dit boek speelde zich af lang geleden in de fictieve Rijken van koning Dagonaut en koning Unauwen.
Tiuri is zestien jaar en zal tot ridder worden geslagen. Het enige wat hij nog moet doen, na vier jaar de schildknaap van zijn vader (Ridder Tiuri de Dappere) geweest te zijn, is vierentwintig uur in een kapel waken, waarbij hij voor niemand open mag doen. In de nacht wordt er op de deur geklopt door een man die om hulp roept. Tiuri maakt de deur open, tegen de regels in. De man geeft hem een brief die hij moet bezorgen aan Ridder Edwinem van Forèstèrra (de Zwarte Ridder met het Witte Schild). Hij vindt Ridder Edwinem maar deze is bijna dood. Als Tiuri bij hem aankomt vertelt de ridder hem dat hij de brief moet bezorgen aan de koning van het land Unauwen. Hij geeft hem zijn bijzondere ring (deze ring heeft de koning van Unauwen hem gegeven omdat hij een van de 12 trouwste paladijnen van zijn rijk is) mee en zegt dat Tiuri naar Menaures moet gaan in de bergen. Onderweg komt Tiuri de Grauwe Ridders tegen. Als hij is aangekomen bij Menaures met een metgezel die hem eerst wilde vermoorden, geeft Menaures Piak mee om hem over de berg te brengen. Piak gaat ook na de bergen met Tiuri mee in het land van Unauwen omdat ze zulke goede vrienden zijn geworden. Daar moeten zij nog een paar gevaren doorstaan, waaronder Slupor, de Tolheer van de Regenboog Rivier (die later ook een vriend wordt) en de boze Burgemeester van Dangria. Eenmaal aangekomen bij de koning vertelt Tiuri wat er in de brief stond. Tiuri ontvangt, ondanks dat hij is weggelopen, toch de ridderslag en het Witte Schild, en heet voortaan "Ridder Tiuri met het Witte Schild".

2018-10-16 19:01:22

Eric de Noorman
is een Nederlandse tekststripreeks, getekend door Hans G. Kresse, die van 1946 tot 1964 als krantenstrip werd gepubliceerd. De verhalen draaien rond een vikingkoning, Eric, en zijn avonturen overzee. Vanaf 1948 werden ze in oblongformaat tegen 75 cent in grote oplagen verspreid, wat mede het grote verkoopsucces verklaart.
Samen met Kapitein Rob en Tom Poes behoort Eric de Noorman tot de "grote drie" uit de Nederlandse stripgeschiedenis. De goed gedocumenteerde verhalen en tekentechnische kwaliteit worden nog steeds geroemd en beïnvloedden vele andere Europese stripauteurs. Eric de Noorman, onder andere in Het Vaderland geplaatst, is ook één van de weinige Nederlandse strips die ook in het buitenland populair was. In Vlaanderen werd de serie in Het Laatste Nieuws en De Nieuwe Gazet gepubliceerd en in Franstalig België in Le Soir. Behalve in het Frans, is de serie ook vertaald in het Engels, Fins, Portugees en Spaans.

De eerste verhalen zijn soms historisch moeilijk te plaatsen en bevatten talloze anachronismen. De reeks begint in het legendarische Atlantis, dat vele duizenden jaren geleden zou hebben bestaan. Via een aantal avonturen in sprookjesachtige sfeer komt Eric terecht in het Romeinse Rijk. In de arena in Rome levert hij een gevecht op leven en dood met keizer Commodus (177-192). Daarna keert hij terug naar Noorwegen, waar edellieden in monumentale burchten een leven leiden dat doet denken aan de Volle Middeleeuwen in Europa. In deze verhalen zijn echter ook veel elementen terug te vinden uit de Noorse mythen en sagen. Van tijd tot tijd trekt Eric - soms gedwongen door de omstandigheden - eropuit om op avontuur te gaan in andere delen van de wereld.
Halverwege de serie, zo ongeveer vanaf De Witte Raaf, komt er meer lijn in. Kresse gaat zich steeds beter documenteren en de tekeningen worden historisch betrouwbaarder. Ook zijn de personages in deze latere verhalen minder "zwart-wit". Voortaan spelen de avonturen van Eric de Noorman zich af in de vijfde eeuw en zijn zij gesitueerd in het Noord-Atlantische gebied, met name op de Britse Eilanden. De legendarische (?) Britse koningen Vortigern/Vitalinus en Arthur/Artorius Dux Bellorum figureren in deze latere verhalen. Ook zien we Eric nu te midden van historische figuren als Attila de Hun en diens tegenspeler de Romeinse veldheer Aetius. Tegelijkertijd verdwijnen de magische componenten uit de strip. Het laatste verhaal met enige bovennatuurlijke elementen is Svidjold"s offer en in dat verhaal is de magie al twijfelachtig, aangezien de vloek waar het om draait ook gezien kan worden als een inbeelding van het slachtoffer.

2018-10-16 19:01:22

De avonturen van Flipje

of Flipje is een Nederlandse stripreeks met de gelijknamige, fictieve figuur in de hoofdrol. Deze strip is van 1935 tot 1953 getekend als tekststrip. Tussen 2002 en 2015 verschijnen er vijf nieuwe stripboeken. In 2010 verschijnen er tevens twee verhalenboeken van Flipje bij Uitgeverij Holland.
Het titelpersonage dient als mascotte, oorspronkelijk van de in Tiel gevestigde jamfabriek De Betuwe en tegenwoordig van de stad Tiel. Hij werd in 1935 bedacht. In Tiel wordt hij onder andere geëerd met een museum, een standbeeld en stripfragmenten op bankjes in en rond het centrum.
De verhaaltjes laten de ontwikkeling zien van Flipje vanaf zijn geboorte (uit een betoverde framboos) in Kabouterland, waar hij na enkele afleveringen voorgoed vertrekt, zij het per ongeluk (per luchtballon). Hij belandt hierna in Dierenland, waar het hem blijkbaar wel bevalt want hij blijft er. Veel later gaat hij wel nog eens terug voor een bezoekje, samen met een paar vrienden die hij intussen heeft gemaakt. Hij neemt zijn intrek in het pension van juffrouw Schaap.
De verhaaltjes hebben allemaal ongeveer hetzelfde verloop: er ontstaat een probleem(pje), iemand haalt een streek uit enzovoort. Uiteindelijk is Flipje degene die zorgt dat alles goed afloopt waarna hij trakteert op limonade of jam of appelsap van... "maatschappij De Betuwe te Tiel", de sponsor van al dit spannends.
De verhaaltjes zijn bedoeld voor kleine kinderen en hebben een beetje een "opvoedend" karakter rond de brave hoofdfiguur.

2018-10-16 19:04:48

Floddertje is een kinderboek van schrijfster Annie M.G. Schmidt, de tekeningen in het boek zijn van Fiep Westendorp. Het boekje verscheen in 1973 en gaat over een klein meisje met de naam Floddertje en haar hondje Smeerkees

2018-11-28 21:00:38

Guust Flater

(Frans: Gaston) is een stripreeks rond stripfiguur Guust Flater (Frans: Gaston Lagaffe) die werd bedacht en getekend door André Franquin. Jidéhem was in de beginperiode coauteur. De strip bestaat sinds 28 februari 1957.
Guust ontstond in 1957 op vraag van Yvan Delporte, die een figuurtje zocht als illustratie bij de rubrieken in het tijdschrift Spirou (vertaald als Robbedoes). Franquin werkte een personage uit, die de naam kreeg van een onhandige kennis van Delporte. De illustraties mondden uiteindelijk uit in een stripreeks. Franquin had echter weinig tijd om zich over Guust te ontfermen en trok Jidéhem aan om de reeks te tekenen. Franquin bedacht de grappen en maakte schetsen, zonder echt scenario"s uit te schrijven. Jidéhem werkte de ideeën uit en tekende ze, op drukke momenten bedacht hij zelf de gags. Zo maakten ze de eerste gags van de reeks, bijna 500, tot gag 505 uit 1968. Guusts terugkerende uitspraken "m"enfin" ("nou moe" in het Nederlands) en "bof" komen van Jidéhem. Toen Franquin uitgekeken raakte op Robbedoes en Kwabbernoot, begon hij zich meer op Guust toe te spitsen. Hij begon de personages zelf te tekenen en liet Jidéhem de decors doen. Jidéhem zelf had intussen met de reeks Sophie een eigen stripserie en had Franquin op een dag verteld weinig voeling te hebben met Guust. Uiteindelijk nam Franquin het hele werk over, waarbij Jidéhem af en toe nog insprong voor het tekenen van auto"s. Nadat Franquin de reeks zelf verderzette, veranderde het formaat van oblong naar een klassieke verticale pagina

Guust (Frans: "Gaston") - de "held zonder werk" (héros sans emploi) is volledig onbekwaam als werknemer. Hij is lui, onhandig, gulzig, eigenwijs en doet vooral waar hij zelf zin in heeft. Zijn takenpakket is het sorteren van de post en het onderhouden van het archief. Zodoende is het archief een enorme puinhoop en ligt zijn kantoor vol stapels achterstallige post. Als Guust niet slaapt, houdt hij zich bezig met allerlei spelletjes en nutteloze activiteiten. Hij is ook geïnteresseerd in de wetenschap. Daarvan getuigen zijn scheikundige experimenten die vaak tot explosies leiden. Ook doet hij de vreemdste uitvindingen, waarvan de meeste goed werken, te goed eigenlijk, waardoor ze aan een rampzalig einde komen. Ondanks de terreur die hij op het kantoor aanricht, heeft Guust een hart van goud en is hij een grote dierenvriend. Guust heeft daardoor veel vrienden (die vaak erg op hem lijken). Juffrouw Jannie is verkikkerd op hem.
Kwabbernoot (Frans: Fantasio) - was de eerste chef van Guust totdat Franquin stopte met het tekenen van Robbedoes. Later keerde hij even terug uit Rommelgem.
Krasser (Frans: Yves Lebrac) - Krasser is de tekenaar van redactie Robbedoes, een jonge man van dezelfde generatie als Guust. Over het algemeen kan Krasser het redelijk met Guust vinden. Toch weet Guust hem vaak tot woede te drijven wanneer zijn tekenwerk weer wordt verknoeid. Vooral de Oost-Indische inkt zorgt regelmatig voor ongelukken. Krasser is een heethoofd en kan erg gestrest raken. Hij is verliefd op een donkerharige secretaresse wier naam nooit wordt onthuld.
Meneer Demesmaeker (Frans: Aimé Demesmaeker of De Mesmaeker) - de horkerige, rijke zakenman. Hij komt geregeld om contracten met de redactie af te sluiten, maar vrijwel altijd weigert hij op het laatste moment door Guusts toedoen zijn handtekening te zetten. Soms, als ze dan toch ondertekend raken, krijgt hij een onbeheersbare woedeaanval waarin hij de voor hem zo belangrijke documenten vernietigt of worden ze vernietigd door toedoen van Guust.
Agent Vondelaar (Frans: Joseph Longtarin) - Vondelaar is een echte smeris. Hij springt bijna uit zijn vel van woede als hij een overtreding constateert en schrijft dan met sadistisch genoegen een bekeuring uit. Guust, die oorlog voert tegen parkeermeters, is daarin zijn vaste klant. Vondelaar houdt Guust goed in de gaten al moet hij dat vaak met verwondingen bekopen. Af en toe draait hij op voor overtredingen, die veroorzaakt zijn door Guusts gestuntel.
Juffrouw Jannie (Frans: M"oiselle Jeanne) - Juffrouw Jannie is het vriendinnetje van Guust. Ze is een lieve jongedame met rood haar, een paardenstaart en een bril. Jannie is naïef en stapeldol op "meneer Guust". Meestal ontsnapt ze heelhuids aan de bizarre ongelukken veroorzaakt door de onhandigheid van Guust.
Joost-van-Smith-aan-de-overkant (Frans: Jules-de-chez-Smith-en-face) - vriend van Guust die "werkt" (zoals Guust "werkt") op het agentschap Smith Import-Export aan de overkant van de straat.
Pruimpit (Frans: Léon Prunelle) - Pruimpit is in de latere albums de chef van Guust. Pruimpit is vriendelijk en beschaafd, maar als hij kwaad wordt breekt de hel los. Ook schrikt hij er niet voor terug om Guust een koekje van eigen deeg te geven. Net als Kwabbernoot in de eerdere albums onderneemt ook Pruimpit wanhopige pogingen de contracten met de Mesmaeker erdoor te krijgen, wat natuurlijk iedere keer weer jammerlijk mislukt. Naast diverse verwensingen aan het adres van Guust gebruikt hij vaak zijn vloek Grretverrdrrie!.
Meneer Van Gestel (Frans: Joseph Boulier) - Van Gestel is de chef boekhouding, een stoffige en knorrige kerel die het liefst iedere cent 6 keer omdraait. Guust is hem een doorn in het oog en wanneer hij een nieuwe maatregel invoert, is Guust de eerste die er de kwalijke gevolgen van zal ondervinden. In sommige albums heet hij meneer Cijfer.
Knuvelder & Platanen (Frans: Ducran & Lapoigne) - de buren. Ze runnen samen een bedrijf dat bruggen bouwt. Guusts kantoor grenst aan het bedrijf van het tweetal en daardoor zijn ze ook weleens betrokken bij de rampen op de redactie. Eén keer in de serie wordt verteld dat de redactie geprobeerd heeft een publiciteitscontract los te krijgen, maar er zijn geen onderhandelingen getekend en later is er niets meer over gehoord.
Meneer Dupuis - de allerhoogste baas, waarvan enkel in een bepaald album een voet te zien is, voor de rest wordt hij niet getekend.

2018-11-28 21:00:38

Muizenboek

Prentvertelling over een moedermuis en haar kinderen die drie oubollige en simpele avontuurtjes beleven waarin de dieren volkomen gepersonifieerd zijn. Prentvertelling met avontuurtjes, Vanaf ca. 3 jaar.

2018-11-28 21:00:38

Onder de titel Jip en Janneke schreef Annie M.G. Schmidt diverse kinderverhalen. De verhaaltjes, die in de jaren vijftig als wekelijkse afleveringen in het dagblad Het Parool verschenen, gaan over het dagelijks leven van twee buurkinderen: Jip en Janneke. Zij beleven van alles: ze worden jarig, stampen in de regenplassen, gaan op bezoek bij oma, maken een legpuzzel en doen de poppenwas. De hond Takkie en de poes Siepie zijn belangrijke nevenfiguren. Ook hun ouders komen er vaak in voor, in het bijzonder de moeder van Jip.

Op 13 september 1952 publiceerde Het Parool het eerste Jip-en-Jannekeverhaal, waarin Janneke het nieuwe buurmeisje is van Jip. Het laatste verhaal verscheen op 7 september 1957.
Elk Jip-en-Jannekeverhaal werd door Schmidt in luttele minuten geschreven in het rumoerige redactielokaal van Het Parool. Sommige belevenissen van Jip en Janneke zijn gebaseerd op avonturen die Schmidts zoontje Flip en diens buurmeisje daadwerkelijk beleefden. De verhaaltjes werden geïllustreerd door een andere vaste Paroolmedewerkster, Fiep Westendorp.

Het eerste bundeltje met Jip-en-Jannekeverhalen verscheen in 1953 bij De Arbeiderspers. Tot 1960 werden in totaal acht boekjes uitgebracht. In de loop der jaren verschenen er tevens vertalingen in het Pools ("Julek i Julka"), Duits (Heiner und Hanni en Julia und Alexander), Engels (Mick and Mandy, Bob and Jilly of Jim and Jennifer), Spaans (Mila y Yaco), Russisch (Sasja i Masja - ???? ? ????), Ivriet (Yip we-Yaneqe), Indonesisch (Tono dan Tini), Estisch (Jip ja Janneke), Latijn (Jippus et Jannica), Twents (Jipke en Jannöaken), Mandarijn (“?????” - “Yíyi hé Yaya”) en Litouws (Jipas ir Janike).
In 2008 kwam de huidige Nederlandse uitgever, Querido, zelf met een nieuwe Engelse vertaling onder de titel Jip and Janneke. In 2009 werden de boekjes vertaald in het Farsi, maar noch de vertaalster noch de uitgever in Teheran had een licentiecontract met de rechthebbende uitgeverij Querido afgesloten. Niettemin werden 2000 exemplaren gedrukt; de Nederlandse ambassade kocht 500 stuks om uit te delen ter gelegenheid van de opening van de nieuwe locatie van de ambassade in Teheran.

De illustraties van Fiep Westendorp waren volgens de Britse uitgever niet geschikt voor de Engelse markt: om de plaatjes ook met de eenvoudige druktechniek van een krant goed te laten ogen had Westendorp ervoor gekozen om Jip en Janneke als zwarte silhouetten weer te geven. Dit werkte volgens de Britten discriminatie in de hand omdat Jip en Janneke er nu uitzagen als negertjes. In Engeland werden daarom andere illustraties gebruikt. In 2013 bracht Querido echter zelf Jip en Janneke in het Engels uit voor de Engelstalige markt in Nederland, waarbij de originele tekeningen van Fiep Westendorp werden gebruikt. In deze boeken behielden Jip and Janneke ook hun eigen naam, hoewel voor de overige karakters in de boeken wel andere, meer Engels klinkende namen werden gebruikt.

Erfenis

Met het verschijnen van het laatste verhaaltje in 1957 was de geschiedenis van Jip en Janneke niet ten einde. In de jaren zeventig voorzag Fiep Westendorp voor het tijdschrift Bobo alle verhaaltjes van nieuwe tekeningen. Hoewel het hier kleurenillustraties betrof, bleven Jip en Janneke zelf zwart-witfiguurtjes, waardoor het oorspronkelijke karakter van de plaatjes gehandhaafd bleef.
Behalve de boekjes zijn er nog talrijke andere Jip-en-Jannekeproducten in de handel gebracht. Het startsein voor deze merchandising werd al in 1959 gegeven toen de firma Dehnert & Jansen Jip-en-Jannekegordijnen op de markt bracht. Het assortiment is in de loop der jaren uitgebreid met legpuzzels, pyjama"s, melkbekers, tandenborstels, kinderstoeltjes, lunchtrommels enz. Het meeste hiervan is alleen bij de HEMA te koop.
Op 10 oktober 1992 werd in Zaltbommel een beeld van Jip en Janneke (en Takkie) onthuld door Annie M.G. Schmidt en Fiep Westendorp, die in Zaltbommel geboren is. Het beeld is gemaakt door Ton Koops.[4]
Na het overlijden van Westendorp in 2004 zijn haar tekenkamer en meubels aan het Stadskasteel Zaltbommel geschonken, alwaar een vaste expositie over haar leven en werk is.

Jip-en-janneketaal

Vanwege de eenvoud van de taal in de boekjes hebben Jip en Janneke hun naam gegeven aan eenvoudig taalgebruik in het algemeen: jip-en-janneketaal is bij overheid en bedrijfsleven sinds de jaren negentig een symbool voor heldere, makkelijke taal. Voor zover bekend is de geestelijk vader van de term jip-en-janneketaal Peter Zuydgeest, eind jaren tachtig voorlichter bij de gemeente Voorburg. Voor zijn trainingen Begrijpelijk Schrijven voor ambtenaren maakte hij een affiche met de tekst "Burgemeester Eenhoorn schrijft begrijpelijk. Vindt hij. Maar begrijpelijk voor wie? Jip en Janneke of Einstein?".
De term kreeg grotere bekendheid in 2002. Diezelfde Bas Eenhoorn, destijds voorzitter van de VVD, hanteerde hem dat jaar in de aanloop naar de verkiezingen in de Tweede Kamer. Hij raadde VVD-lijsttrekker Hans Dijkstal aan om meer klare taal te gebruiken. Politieke tegenstanders van de VVD gebruikten Eenhoorns woordkeus vervolgens om te suggereren dat de VVD het electoraat als kleine kinderen zou beschouwen. De uitdrukking jip-en-janneketaal wordt sindsdien zowel in positieve als in negatieve zin gebruikt om eenvoudig taalgebruik door politici en andere volwassenen aan te duiden.
Ook de streepjes tussen de lettergrepen die in sommige edities van de Jip-en-Jannekeverhalen werden gebruikt om ze voor kinderen eenvoudiger leesbaar te maken, hebben een bredere betekenis gekregen. De Taalkalender gebruikte ooit het woord Jip-en-Jannekestreepjes voor overbodige streepjes tussen de leden van lange samenstellingen.

2018-11-28 21:02:08

Archie, de man van staal

(Originele titel: The jungle robot en later Robot Archie) is een Brits-Nederlandse stripreeks oorspronkelijk geschreven door E. George Cowan en getekend door Ted Kearon. Later zou de Nederlander Bert Bus de reeks verder zetten.

Deze reeks gaat over een robotman genaamd Archie, die is gebouwd door professor C.R. Ritchie en bediend wordt door zijn neefje Ted en diens beste vriend Ken Dale. Archie kan in de eerste verhalen niet praten, later krijgt hij een hiervoor een speciaal mechanisme ingebouwd. Archie is ongelofelijk sterk en handig, waardoor hij zich steeds uit de meest onmogelijke situaties weet te redden. Samen met Ted en Ken beleeft hij de wildste avonturen in allerlei delen van de wereld. De eerste paar avonturen spelen zich af in de jungle (vandaar de naam The Jungle Robot). In het begin zijn hun tegenstanders vooral echte mensen, later krijgen de verhalen een meer sciencefictionachtig karakter en duiken er bijvoorbeeld ook aliens op.

Archie verscheen oorspronkelijk in het Britse stripblad Lion (1952-1974). De albums verschenen vanaf 1963 in Nederland als "Archie, de man van staal". Daarnaast zijn een aantal korte verhalen in het stripblad Sjors verschenen. De reeks werd vanaf 1971 voortgezet door de Nederlandse schrijver en tekenaar Bert Bus.

Albums

Eerste reeks
Onderstaande albums werden geschreven door E. George Cowan en getekend door Ted Kearon.
De gouden sfinx (1963)
Het teken van de schorpioen/De goudkoorts van Abdul Krah (1963)
Juwelen feesten in India/Jacht op de schat (1964)
Avonturen in Afrika (Het ijzeren Monster en Het Geheim van de stenen Leeuw)/Het magnetische gas (1966)
Overval op de postwagen en Jacht op groot wild/Het kristallen luipaard (1967)
De terreur van de ijsgeesten/De Inca-stad en De vuurspuwende kreeft (1967)
De goudmijn en Het verlaten schip (1969)

Tweede reeks
Onderstaande albums zijn geschreven en getekend door Bert Bus.
Archie als ridder (22 pl) Deel 1 1971
De gepantserde struikrover (20 pl) Deel 1 1972
Archie in het wilde westen (16 pl) Deel 2 1972
De strijd tegen de Kruls (30 pl) Deel 2 1972
De invasie van de Superons (36 pl) Deel 3 1972
In de macht van het monster (14 pl) Deel 3 1973
De terugkeer van de Kruls (32 pl) Deel 4 1973
De vernietiging van het monster (18 pl) Deel 4 1973
Archie in de ijstijd (26 pl) Deel 5 1973-1974, tekst: Fenna
Archie contra mister Magneto (40 pl) Deel 5 1974, tekst: Fenna
De terreur van de ijsgeesten Deel 6 (oorspr. uitgebracht in 1967)
Het magnetische gas Deel 7 (oorspr. uitgebracht in 1967)
Het teken van de schorpioen Deel 8 (oorspr. uitgebracht in 1963)
Het kristallen luipaard Deel 9 (oorspr. uitgebracht in 1967)
Archie in de ijstijd Deel 10

2019-01-02 12:37:56

Een Zomerzotheid
Geschreven door Cissy van Marxveldt
Omslagtekening en illustraties van Hans Borrebach, (1903-1991)
Eerste uitgave 1927
Uitgeverij De Erven Loosjes - Heemstede
Humor, vaart, spanning en romantiek, die nergens wee of sentimenteel worden, dat zijn de eigenschappen van Cissy van Marxveldts verhaaltrant.
Dit vrolijke en vaak dwaze verhaal van een vakantie-harlekinade van vijf meisjes, Pit ( Erica), Lenie, Mia, Dot (Kaka) en Ella maakt Zomerzotheid tot een van de beste boeken, die door deze schrijfster werden geschreven.
Op vakantie op " Sonnewende" zijn de meisjes buren van de jonkheer Robbert Padt van Heijendaal en zijn chauffeurLucas. Samen met vrienden van de baron (Paul,Reep, en Jef) hebben zij een heerlijke vakantie, waarna uiteindelijk blijkt dat niet iedereen zich voorgeeft als wie hij werkelijk is.

2019-01-02 12:37:56

Joop ter Heul
Geschreven door Cissy van Marxveldt
Illustraties van Hans Borrebach
Geschreven tussen 1918 en 1925
Bevattende de delen:
De H.B.S.-tijd van Joop ter Heul
Joop ter Heuls problemenn
De prototypische bakvis is wel Cissy van Marxveldts heldin Joop ter Heul, met haar te lange armen, te grote voeten, piekende haren en een uitgebreide schare vriendinnen, verenigd in de Jopopinoloukico-club. Ze is opgewekt, eerlijk en recht door zee, maar ook onhandig, lawaaierig, baldadig. Haar vriendinnen zijn vrolijke schaduwen van haarzelf, allemaal in het bezit van ongeveer één eigenschap. Pop is onverschillig, Pien artistiek, Noortje hooghartig, Loutje lief, Kit olijk, Conny koket.
De brutale Joop verandert in de loop van de serie van een zorgeloze bakvis in een zorgzame moeder en echtgenote,al heeft zij zich daar lang met kracht tegen verzet.
Fragment uit het boek:
Gisteravond heb ik Julies haar geschuierd, omdat haar arm zo moe was van het tennissen. Ze draagt de knoedel krullen niet meer, omdat Jog ze niet mooi vond. En ze heeft eigenlijk veel te leuk haar, om er zo"n herrie van te maken. Ze doet het nu maar gewoon met een vlecht om haar hoofd en ik zei, toen ik als een razende aan het schuieren was: "Je ziet er veel leuker uit dan vroeger met dat poedelhaar."
"Jog vindt het zo aardig,"zei Julie. "Hij zegt, het staat zo lief."
"Gek,"zei ik, ik had al die dingen nooit bij Jog gezocht. "Julie staarde toen ze zei: "Wie vind je aardiger om te zien. Jog of Herman de Wilde?"
"O, Jog!"zei ik vol vuur. "H. de Wilde heeft helemaal geen gezicht."
"En Lotte zegt, dat het zo mannelijk is,"proestte Julie.
"Phuu,"zei ik, "moet je alleen zijn schouders maar eens zien."
"Lotte is altijd zo mal overdreven,"zei Julie. "Au zeg, je rukt me de haren uit."
"Ja hoor eens,"zei ik, "jij gaat bij Lotte op fuiven en partijtjes, en als ze hier is, dan gaan jullie uit, en je zoent mekaar en al die nonsens, en dan moet je, nu ze aan de Rivièra zit met een blindedarm, niet over haar gaan mieren tegen mij. Da"s niet eerlijk."

2019-03-09 15:25:50

Jacobus Pieter Thijsse

(Maastricht, 25 juli 1865 – Overveen, 8 januari 1945) was een Nederlands schrijver, onderwijzer en natuurbeschermer,die vooral bekend werd door zijn vele bijdragen op het gebied van de natuureducatie, veldbiologie en natuurlijke historie.
Van de vele boeken die Thijsse schreef, vaak met zijn vriend Eli Heimans, zijn waarschijnlijk het meest bekend de voor leken goed bruikbare flora en de Verkade-albums. Hij was mede-oprichter van het tijdschrift De Levende Natuur en zette zich in voor het behoud van het Naardermeer, het eerste beschermde natuurmonument in Nederland. Hij stond aan de wieg van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland en was actief in veel andere organisaties voor natuurstudie en -bescherming.

Jeugd en opleiding

Jacobus Pieter Thijsse werd geboren als het derde kind van Catharina Johanna Priester (geboren te Middelburg, 3 maart 1836) en Jacobus Thijsse (geboren te Delft, 5 oktober 1832), op 25 juli 1865 om half twaalf "s avonds, in de commandantswoning van de Sint-Pieterskazerne van het Tweede Regiment Infanterie te Maastricht. De vader, Jacobus Thijsse, had op dat moment de leeftijd van 32 jaar en was beroepsmilitair en de zoon van matroos Willem Thijsse. Hij had de rang van sergeant. Het gezin verhuisde regelmatig en was op 1 mei 1864 vanuit Middelburg in Maastricht komen wonen. In 1859 waren Catharina en Jacobus in "s-Hertogenbosch in het huwelijk getreden. De oudste broer van Jacobus Pieter - Willem Johannes - werd op 10 juli 1860 in Den Bosch geboren. De tweede broer - Johannes Jacobus Laurens - werd geboren op 19 september 1862 in Vlissingen. Op 16 april 1868 werd in Maastricht nog een broer geboren, Carel Helenus. Een paar dagen later, op 29 april, verhuisde het gezin naar Grave


Het geboortehuis in Maastricht van Jacobus Pieter, die in zijn jeugd en onder vrienden meestal "Ko", of "Kootje" werd genoemd, en die zich pas op latere leeftijd de naam "Jac. P." aanmat,[3] stond indertijd bekend als St. Pieterstraat nr. 2651. De huizen in Maastricht waren toen doorlopend genummerd, van 1 tot 3098. Nr. 2650 was het toenmalige “slagthuis” van de gemeente, het laatste huis van de Helstraat (thans Sint Bernardusstraat, die uitkomt op de Helpoort). Nr. 2652 was het arsenaal of tuighuis (de voormalige Minderbroederskerk; nu St. Pieterstraat 5) en nr. 2653 was de kazerne. Panhuysen, rijksarchivaris te Maastricht, concludeerde daarom in 1947 dat met nr. 2651 bedoeld moet zijn de voormalige “commandantswoning”, gelegen tussen de Helpoort en de voormalige Minderbroederskerk; achter het priesterkoor van de kerk.
Van 1868 tot 1870 woonde het gezin Thijsse in een huis bij de fortwal op een vormwerk van de vesting, net buiten het stadje Grave. Ze hadden daar ruimte voor verschillende tuinen: een moestuin, een bloementuin en kindertuintjes. Aan die tuin en de tijd in Grave denkt Thijsse terug als hij in 1940 schrijft over "den tuin bij ons huis, de oevers van de Maas, de heide bij Escharen en het aardige riviertje de Raam; mijn moeder, die met ons de bloementuintjes verzorgde; mijn vader, die een groot liefhebber was van hengelen en wandelen en ons dikwijls mee nam en ons ook, volgens de goedige gewoonte van dien tijd en van dat land, de vogelnestjes wees met de vergunning, de jongen uit te halen en op te voeden, wat soms zelfs gelukte."

Bij verschillende gelegenheden komt Thijsse terug op deze periode in zijn leven, die van grote invloed is geweest op de ontwikkeling van zijn belangstelling en waardering voor de natuur. In 1870 verhuisde het gezin in verband met de mobilisatie vanwege de Frans-Duitse oorlog van de vesting naar het stadje Grave. Op 2 maart 1870 werd Jacobus Thijsse bevorderd van sergeant-schrijver tot sergeant-majoor. Drie jaar later verliet hij de dienst en verhuisde het gezin naar Woerden, waar vader Thijsse een burgerfunctie in de militaire sfeer aanvaardde.
In Woerden ging Ko voor het eerst naar school. Omdat hij thuis al had leren lezen en schrijven kwam hij meteen in de derde klas. Hij ging ook op catechisatie. Om zijn lange wandelingen in de omgeving van Woerden te kunnen maken spijbelde hij nogal eens. Het was - in de (latere) woorden van Thijsse zelf - "een heerlijk leventje", dat hij in die jaren leidde, en dat tot een einde kwam toen in 1877 de vesting Woerden werd opgeheven en vader Thijsse solliciteerde naar een baan in Amsterdam.
Vader Thijsse ging in Amsterdam aan de slag als notarisklerk. Voor Ko was een carrière als onderwijzer uitgestippeld. Vermoedelijk was Ko tussen zijn twaalfde en veertiende jaar "kwekeling". Het was in die tijd gebruikelijk dat kweekschoolaspiranten - die pas op hun veertiende jaar tot de kweekschool werden toegelaten - na het verlaten van de lagere school twee jaar in de leer gingen bij een schoolhoofd. Thijsse bezocht van 1879 tot 1883 de gemeentelijke kweekschool, waar hij onder meer les kreeg van dr. C. Kerbert in het vak "Natuurlijke historie". Kerbert organiseerde buitenschoolse activiteiten, die voor Ko een nieuwe stimulans vormden om zich verder in de natuur te verdiepen. De reeds aanwezige liefde voor de natuur ontwikkelde zich in deze tijd tot een levenslang enthousiasme voor de natuurstudie. Met Kerbert ontstond een vriendschapsrelatie, die ook in Thijsses latere leven bleef bestaan.
Dat we hier te maken hadden met een zeer fanatieke natuurliefhebber, blijkt uit Thijsses artikel "Gras" in De Levende Natuur in 1898. Daarin memoreert hij de plantkundige vondsten die hij op zeventienjarige leeftijd in de directe omgeving van Amsterdam deed. Hij verzamelde in twee jaar tijd in totaal 433 gedetermineerde planten in zijn herbarium en sloot een weddenschap met een vriend dat hij binnen een jaar de zeshonderd soorten zou halen. Die verloor Thijsse, omdat hij weliswaar 613 plantensoorten had verzameld, maar 39 soorten grassen niet had gedetermineerd.

Onderwijzer

Na de kweekschool kreeg Thijsse in 1883 zijn eerste aanstelling op een Amsterdamse school als derde onderwijzer. Vervolgens behaalde hij de hoofdakte en verschillende taalakten en werd hij bevorderd tot tweede onderwijzer. Eind 1888 kreeg hij een aanstelling aan de leerschool van de Kweekschool voor Onderwijzers en Onderwijzeressen in Amsterdam.
Eind december 1889 werd Thijsse benoemd tot hoofd van de Franse school in Den Burg op Texel.[Hoewel het eiland erg afgelegen lag, zeker voor die tijd, koos hij er toch voor uit een aantal andere aanbiedingen, omdat hij in het proefschrift van Franciscus Holkema over de flora der Noordzee-eilanden had gezien dat er veel bijzonders was te vinden. Toen hij er was benoemd kreeg hij Holkema"s boek ten geschenke van Coenraad Kerbert, zijn leraar natuurlijke historie.
Tijdens zijn verblijf op Texel op 30 juli 1891 trouwde Thijsse met de onderwijzeres Helena Christina Petronella Bosch (10 maart 1867 - 5 mei 1938). Zij hadden elkaar op de kweekschool leren kennen. Ze kregen twee zoons.
Omdat zijn vrouw heimwee had en niet op Texel wilde wonen, vertrokken zij in 1892 weer van het eiland. Hij ging terug naar Amsterdam en werd daar hoofd van de Openbare School aan de Passeerdersgracht. Thijsse schreef later over Texel: "Al heb ik er maar twee en een half jaar gewoond, Texelaar zal ik blijven tot het eind."
In 1893 ontmoette hij Eli Heimans, eveneens schoolhoofd in Amsterdam, met wie hij in de jaren die volgden veel samenwerkte. Ze publiceerden vele artikelen en boeken en richtten verscheidene natuurbladen en -organisaties op, waaronder De Levende Natuur en de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland.
In 1900 kreeg Thijsse pleuritis en moest met één long verder leven. Eind 1901 werd hij benoemd tot leraar "kennis der natuur" aan de Amsterdamse kweekschool waar hij zelf les had gehad, als opvolger van Hendrik Heukels.


Jac. P. Thijsse

In 1902 verhuisde het gezin om gezondheidsredenen naar Bloemendaal. Hier maakte hij kennis met de fotograaf Adolphe Burdet, wat leidde tot een jarenlange vriendschap en samenwerking. Thijsse bleef een aantal jaren als forens naar Amsterdam reizen om daar les te geven. In 1921 werd hij leraar "natuurlijke historie" aan het Kennemer Lyceum in Bloemendaal. Een jaar later kreeg hij ook een benoeming aan de Middelbare Meisjesschool "t Kopje, als leraar plant- en dierkunde. In 1930 ging hij met pensioen, waarna hij met zijn echtgenote een reis van een half jaar naar Java maakte, waar hun jongste zoon woonde. In 1938 werd hij weduwnaar. n de bezetter evacueren naar Overveen. Hier stierf hij kort na de jaarwisseling in 1945 op 79-jarige leeftijd. Thijsse ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Bergweg in Bloemendaal.

Natuureducatie

De betekenis van Thijsse voor natuurstudie en natuureducatie was groot, net als van zijn kompaan Heimans. Beiden hadden dezelfde passie voor natuur. Thijsse zei daarover: "Heimans was ook een onvermoeide looper, kortom wij pasten precies bij elkaar en hebben twintig jaar lang zóó samengewerkt, dat dikwijls genoeg de menschen niet wisten, wie Heimans en wie Thijsse was."[15] Samen gaven ze vorm aan wat pas later natuureducatie ging heten. Voor de schooljeugd schreven ze de reeks Van vlinders, bloemen en vogels. Het eerste deeltje hiervan verscheen in 1894. In de jaren daarna tot 1901 volgden vijf andere deeltjes. Het vernieuwende van hun aanpak was dat ze de lezers aanmoedigden om zelf te kijken naar de natuur en op zoek te gaan naar eigen waarnemingen. Ook in wetenschappelijk opzicht was hun aanpak vernieuwend, omdat zij planten en dieren niet alleen afzonderlijk beschreven maar ook in samenhang, als onderdeel van levensgemeenschappen, in navolging van de eerste ecologische geschriften en de popularisering daarvan door onder meer Friedrich Junge.
In 1896 richtte Thijsse samen met Heimans en Jasper Jaspers jr. het tijdschrift De Levende Natuur op, een "tijdschrift voor de natuursport" waarin ze allerlei natuurverschijnselen en waarnemingen beschreven voor relatieve leken. De in 1899 verschenen Heimans, Heinsius en Thijsse"s geïllustreerde flora van Nederland toonde in tegenstelling tot de andere flora"s door de auteurs zelf getekende plaatjes en gebruikte eenvoudige termen, zodat ook beginners ermee aan de slag konden.
Rond 1900 was Thijsse, vaak met Heimans, betrokken bij de oprichting van verschillende organisaties, met name de Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging, de Nederlandse Ornithologische Vereniging en de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland. Thijsse maakte zich binnen deze organisaties sterk voor zowel natuurstudie en natuureducatie als natuur- en vogelbescherming.

Verkade-albums
In 1904 werd Thijsse gevraagd om de tekst te verzorgen voor albums van Verkade. Bij de koekjes van Verkade zaten plaatjes die men in de albums kon plakken, ter illustratie van de tekst van Thijsse. Thijsse schijnt te hebben uitgeroepen: "Ze hebben me voor de reclame gevraagd!". Hij deed het uiteindelijk toch en de albums werden een groot succes. Een aantal haalde een oplage van meer dan 100 000. Bovendien bereikten ze mensen uit een groot deel van de samenleving, hoewel de Verkadekoekjes voor het arme deel van de bevolking veelal te duur waren. De serie albums begon met de delen Lente, Zomer, Herfst en Winter. Later verschenen albums over biotopen en natuurgebieden, zoals Het Naardermeer.

2019-03-09 15:25:50

De Kameleon is een Nederlandse jeugdboekenserie. De eerste 60 delen werden geschreven door Hotze de Roos. De daarna volgende delen zijn van Piero Stanco en van Fred Diks. Er bestaan inmiddels 69 verschillende titels, waarvan een aantal in het Fries is vertaald. Elf delen uit de Kameleon-reeks zijn in het Duits vertaald onder de serietitel Der Tigerhai; de boeken hadden in Duitsland overigens niet veel succes.
De boeken gaan over de Friese tweelingbroers Sietse en Hielke Klinkhamer, die met hun boot De Kameleon allerlei avonturen beleven in het fictieve dorp Lenten. Veel personen en gebeurtenissen uit het leven van Hotze de Roos zijn in de Kameleon-boeken verwerkt. De boeken zijn gesitueerd in Friesland, waar De Roos geboren is. Er zijn ook verschillende elementen uit zijn latere woonplaats Krommenie in Noord-Holland (Zaanstreek) te herkennen. Molen "De Woudaap" is daar bijvoorbeeld te vinden.
Hotze de Roos schreef alle grappen op die hij hoorde tijdens zijn werk als timmerman en liet die meestal vertellen door Gerben Zonderland.

2019-03-09 15:25:50

Kapitein Rob is de held van het stripverhaal De avonturen van Kapitein Rob, getekend en bedacht door Pieter Kuhn (1910-1966) met tekst van journalist Evert Werkman (1915-1988), dat in 73 verhalen van 11 december 1945 tot en met 21 januari 1966 (onderbroken door twee periodes van langere duur) in de Parool-bladen is verschenen.

11 december 1945 vaart Kapitein Rob met zijn zeilschip De Vrijheid samen met zijn hond Skip uit voor zijn eerste avontuur, maar het verhaal heeft nog het karakter van een probeersel. Kuhn is een uitstekend tekenaar, maar mist de gave van het woord en krijgt daarom van Het Parool een tekstschrijver toegewezen om zijn gedachten vorm te geven. Vanaf het tweede verhaal is dat Evert Werkman en komt er meer lijn in de verhalen.
Dat tweede verhaal voert de lezer terug naar de zeventiende eeuw en Kuhn toont zich een meester in het tekenen van historische zeilschepen. De maritieme geschiedenis is een veelvuldig terugkerend decor in de avonturen van Kapitein Rob. Onder andere de zeerover Peer den Schuymer (Soliman Reis), de legendarische Vliegende Hollander, de ontdekkingsreiziger Olivier van Noort en de pionier Jan van Riebeeck figureren in deze verhalen. De geschiedenis komt niet alleen tot leven via oude scheepsjournaals waar Rob de hand op weet te leggen, maar ook door het "Historisch Oog", een uitvinding die de held in staat stelt om terug in de tijd te reizen.
In het derde verhaal presenteren zich twee booswichten die het Kapitein Rob gedurende zijn hele verdere stripleven lastig zullen maken: professor Lupardi en diens assistent Yoto. Met deze stripgeleerden wordt het element sciencefiction in de verhalen geïntroduceerd. Ruimtereizen en wetenschappelijke experimenten zijn er genoeg in dit genre, maar Kuhn blijkt een groot talent te hebben voor het bedenken van originele plots. Een hoogtepunt is De geheimzinnige baron Himota: professor Lupardi doet zich voor als fabrikant van koelkasten voor wetenschappelijke doeleinden waarmee het absolute nulpunt kan worden benaderd. Ze worden echter gebruikt om geleerden van naam te dematerialiseren om ze vervolgens, gematerialiseerd en wel, in zijn laboratorium te laten verschijnen om zijn opvattingen over wereldvrede aan te horen.
Het misschien meest klassieke Kapitein Robverhaal is Het geheim van de Bosplaat, waarin Kapitein Rob, even na de Duitse capitulatie, op Terschelling een ondergrondse bunker ontdekt waarin nazi"s boze plannen smeden, die Rob gelukkig op het nippertje weet te verijdelen.
De Avonturen van Kapitein Rob worden een succes en de boekjes van de krantenstrips die tot 1961 bij Het Parool verschijnen vinden gretig aftrek. Er is zelfs een jeugdblad gewijd aan Kapitein Rob (verschenen onder verschillende namen): "Ketelbinkiekrant" (1948-1957; o.a. Rotterdam), "Kapitein Rob"s Vrienden" (1949-1952; Amsterdam), "Robs Vrienden" (1952-1957; landelijk). Daarnaast verschijnt het blad commercieel in Nederland en België gedurende enige tijd als respectievelijk "Remia Post" en "Jeugdclub 3 Molens". Maar ook anderen liften mee op de populariteit van de strip: de hoofdpersoon in de deeltjes 9 ("Atlantic Star") en 10 ("Algiers") die in 1948 in de "Panterserie", een reeks beeldromans, zijn verschenen, is onmiskenbaar Kapitein Rob. Een duidelijk geval van plagiaat door tekenaar Leen Spierenburg en tekstschrijfster Gerda Spierenburg. Belangrijk is dat de Kapitein Robverhalen aansluiten bij de werkelijkheid. Locaties als Amsterdam, West-Terschelling en Tanger zijn naar de realiteit getekend. In Amsterdam b.v. hotel The Silver Dollar (O.Z. Voorburgwal 11), het kroegje De Juiste Koers (Prins Hendrikkade 93) en het keldertje van de tagrijn Ome Jan Tijms (Geldersekade 23).
De jaren vijftig was de grote tijd van Het Parool dat coryfeeën als Simon Carmiggelt ("Kronkel"), Henri Knap ("Dagboekanier"), Jeanne Roos ("Tip van Roos") en Annie M.G. Schmidt in de gelederen had en "Kapitein Rob" misstond niet in dit gezelschap van klinkende namen. Integendeel, toen Pieter Kuhn het halverwege dat decennium voor gezien hield, was het Simon Carmiggelt zelf die pleitte voor hervatting van de strip: "Het Parool zonder Kapitein Rob, dat is al te grijs …"
Kapitein Rob keerde terug in Het Parool om zijn belevenissen voort te zetten, hoewel de verhalen minder kwaliteit lijken te hebben dan de eerste reeks. Er was nadien nog een langere onderbreking van de strip, toen Pieter Kuhn werd geveld door een hartaanval. Een tweede hartaanval, enkele jaren later, betekende echter het definitieve einde van "De Avonturen van Kapitein Rob".

2019-03-09 15:25:50

Kick Wilstra is een voetballende stripfiguur, die in de jaren "50 erg populair was in Nederland. De geestelijke vader van Wilstra was Henk Sprenger. De naam Kick Wilstra is een combinatie van de namen van drie bekende voetballers uit die tijd: Kick Smit, Faas Wilkes en Abe Lenstra.
De superspits verscheen voor het eerst in 1949 in een avonturenboek over Ketelbinkie. Vanaf 1952 verschenen de avonturen van Kick Wilstra in de Rotterdamse Ketelbinkiekrant en in het Amsterdamse blad Robs Vrienden. Het Parool zou Wilstra voorgoed bekendmaken: dat gaf tussen 1955 en 1960 achttien boekjes met de belevenissen van Kick Wilstra uit.
Kick Wilstra werd geboren in het dorp Veendorp. Zijn vader, Fabe Wilstra, was een fanatiek aanhanger van de plaatselijke voetbalclub V.V.V. (Veendorpse Voetbal Vereniging), waar Kick al op jeugdige leeftijd zijn entree maakte. Zijn grootste successen beleefde Kick bij Victoria, de Malton Roovers in Engeland en nog later bij de Italiaanse club Titan. Uiteraard speelde de wonderspits ook een hoofdrol in het Nederlands elftal.
Zowel bij zijn clubs als bij Oranje was Kick de uitblinker als hij in het veld kwam. Zo scoorde hij bij zijn debuut bij Victoria als invaller de winnende goal. Zijn eerste optreden in Oranje leverde een hattrick op.
Kick Wilstra trouwde met zijn jeugdliefde Jannie Robijn. Zij kregen drie kinderen, van wie de voetballende tweelingbroers Rob en Rudi de oudste waren

2019-03-09 15:25:50

Kruimeltje

is een jeugdboek uit 1923 van de Nederlandse schrijver Chris van Abkoude. Het gaat over een tienjarig zwerfjongetje, dat na veel tegenslagen uiteindelijk zijn ouders weer terugvindt. Het boek is vele malen herdrukt en behoort samen met de Pietje Bell-verhalen tot Van Abkoudes bekendste werk.

arry Volker, beter bekend als Kruimeltje, is een tienjarige jongen in het Rotterdam van 1916. Hij is zonder ouders opgegroeid en wordt verzorgd door vrouw Koster. Zij is een humeurige en hardvochtige vrouw die bovendien aan de drank is en Kruimeltje regelmatig eropuit stuurt om geld voor haar te verdienen. Toch maakt Kruimeltje vaak lol door te sleeën met zijn vriendjes of stiekem zonder te betalen naar de bioscoop te gaan. Wanneer hij weer eens door vrouw Koster in een dronken bui op straat is gegooid, overnacht hij in een oude kist bij een kruidenier, waar hij een hond vindt. Deze hond noemt hij Moor en Moor wordt Kruimeltjes kameraad, hoewel vrouw Koster het maar een vies beest vindt. Verder leert hij ook de kruidenier, meneer Wilkes, kennen. Hij en Moor komen regelmatig voor wat te eten en een praatje bij hem.
Op een dag valt vrouw Koster van de trap als ze een zak kolen haalt en ze breekt haar rug. Op haar sterfbed vraagt ze Kruimeltje om vergeving voor de slechte behandeling. Kruimeltje heeft van zijn kant enorme spijt dat hij de kolen niet zelf heeft gehaald. Vrouw Koster geeft Kruimeltje een enveloppe, die pas geopend mocht worden bij haar dood. De enveloppe bevat een medaillon met daarin de foto"s van Kruimeltjes vader en moeder: Harry Volker en Lize van Dien. Kruimeltje heeft veel verdriet om zijn stiefmoeder, hoe slecht ze hem ook altijd heeft behandeld. Hij heeft het gevoel dat hij nu helemaal alleen in de wereld staat.
Wilkes wil Kruimeltje nu adopteren en naar school sturen. Er gaat een schok door Wilkes heen als hij het medaillon ziet: hij kent Harrie Volker, met wie hij vroeger in Amerika naar goud heeft gezocht. Hij wil hem zoeken om zo tevens Kruimeltje met zijn vader te herenigen, maar dan slaat het noodlot opnieuw toe. De winkel van Wilkes brandt die nacht af en tijdens het nachtelijk bluswerk loopt Wilkes een zware longontsteking op. Hij moet langdurig in het ziekenhuis herstellen en Kruimeltje is nu een echt straatkind geworden. In de ijskoude Kerstnacht worden Kruimeltje en Moor door de koster de kerk uitgezet en ze vriezen beiden bijna dood. Ze worden net op tijd door een politieagent gevonden.
De politie brengt Kruimeltje naar een "Gesticht voor onverzorgde kinderen", geleid door Vader Keyzer. Dit is een autoritaire strenge man, die geen tegenspraak duldt en er niet voor terugdeinst kinderen slaag te geven. Slechts één van de kinderen in het gesticht heeft het goed, omdat er voor hem betaald wordt. Bovendien staat Vader Keyzer geen honden toe en Moor wordt daarom naar het asiel gebracht, waar honden na drie dagen worden vergast als niemand ze komt halen. Kruimeltje en hij hebben al direct een hevige hekel aan elkaar, en al na de eerste dag loopt Kruimeltje weg.
Hij redt Moor uit het asiel en ze vatten opnieuw hun zwervende leven op, totdat Wilkes terugkomt uit het ziekenhuis. Wilkes stuurt Kruimeltje naar school, waar hij het al snel goed kan vinden met zijn nieuwe onderwijzer, meester Leentvaar. Het knaagt echter aan Wilkes dat hij Harrie is kwijtgeraakt, en hij plant dan ook een nieuwe tocht naar Amerika om Harrie te zoeken. Omdat niemand voor Kruimeltje kan zorgen tijdens Wilkes" afwezigheid zal hij terug moeten naar het gesticht, al is het tijdelijk.
Terug in het gesticht blijkt het nog steeds niet te boteren tussen Kruimeltje en Vader Keyzer. Vader Keyzer is gewend om blindelings te worden gehoorzaamd en hij kan er dus niet tegen dat Kruimeltje eerlijk voor zichzelf en anderen opkomt en daarbij ook nog eens vaak gelijk krijgt. De antipathie ontaardt in een persoonlijke vete tussen de twee. Uiteindelijk weet Vader Keyzer Kruimeltje valselijk te beschuldigen van diefstal tegenover meester Leentvaar, door zijn eigen beurs onder Kruimeltjes bed te leggen en te doen alsof Kruimeltje deze gestolen heeft. Wanneer meester Leentvaar bij het presenteren van het "bewijs" Vader Keyzer blijkt te geloven, loopt Kruimeltje woedend weg. Opnieuw keert hij terug naar het leven op straat. Wanneer Vader Keyzer erachter komt dat een ander jongetje, Spijker, heeft gezien dat hij het "bewijs" fingeerde, mishandelt Vader Keyzer hem zwaar en dreigt hem dood te slaan als Spijker iets vertelt.
Op een dag wordt Kruimeltje, na het illegaal bijwonen van een voorstelling van de beroemde operazangeres Vera Di Borboni, door de auto van de vedette zelf aangereden. Vera neemt Kruimeltje en Moor in huis en verzorgt hen. Naar het gesticht hoeft Kruimeltje niet meer terug. Vader Keyzer is inmiddels opgepakt wegens de slechte behandeling van de kinderen, die bij betere pleegouders worden ondergebracht. Vera Di Borboni, die eigenlijk Lize[1] van Dien heet, ontdekt uiteindelijk het medaillon met de foto"s van Kruimeltjes ouders, oftewel die van haarzelf en haar vroegere man Harry. Ze besluit nog even niets te vertellen. Wanneer Kruimeltje opknapt groeit hun onderlinge band. Dan biecht ze aan hem op dat zij en Harry in bittere armoede leefden. Harry vertrok naar Amerika en kwam maar niet terug, waarop Vera zich uiteindelijk gedwongen zag om haar kind af te staan aan vrouw Koster en zelf te gaan werken. Inmiddels is ze succesvol en rijk, maar ze is al die tijd ongelukkig geweest omdat ze ieder spoor van haar zoon was verloren. Ze is heel blij dat ze haar zoon nu terug heeft. Kruimeltje van zijn kant heeft zijn moeder zijn hele leven gehaat omdat ze hem meteen na zijn geboorte in de steek heeft gelaten. Nu hij de waarheid kent, is ook hij zielsgelukkig.
Enkele weken later komt Wilkes terug uit Amerika samen met Kruimeltjes vader. Hij heeft de bandiet Lefty uitgeschakeld met wie hij het vroeger al aan de stok had, en daarvoor is hij rijkelijk beloond. Eindelijk heeft Kruimeltje nu dus zijn vader én moeder terug. Hij krijgt ook een brief van meester Leentvaar die inmiddels achter de waarheid is gekomen en zich diep verontschuldigt.

2019-08-29 23:01:51

Kruistocht in spijkerbroek
Thea Beckman
Kruistocht in spijkerbroek Thea Beckman

(1973) is een jeugdboek van Thea Beckman over de kinderkruistocht in 1212,
Rudolf Wega van Amstelveen, kortweg Dolf, is een zestienjarige jongen die zich bij een experiment met een tijdmachine als vrijwilliger aanmeldt. Hij strandt in de dertiende eeuw bij de stad Speyer (Spiers) in Duitsland. Hij sluit zich daar aan bij de kinderkruistocht, die op dat moment toevallig langstrekt, en weet met behulp van zijn twintigste-eeuwse kennis een boel kinderen van een zekere ondergang te redden. Deze kruistocht wordt geleid door de herdersjongen Nicolaas, die "door God is uitverkoren" een heilig kinderleger naar Jeruzalem te leiden. Daarom zijn de kinderen onderweg naar Genua, waar Nicolaas de zee zal doen splijten, zoals Mozes dat gedaan had, en de kinderen zullen over de zeebodem naar het Heilige Land trekken, "waar de Saracenen voor hun onschuld zullen vluchten".
Dolf weet Nicolaas, die wordt bijgestaan door de monniken Dom Anselmus en Dom Johannes, te overreden de organisatie anders aan te pakken. Zo voert Dolf een zekere organisatiegraad in, en weet een roodvonkepidemie ("de scharlaken dood") binnen de perken te houden. Hij redt de kinderen in Rottweil van de hongerdood en leidt de harde overtocht over de Alpen in goede banen. Op een gegeven moment maakt en gebruikt hij buskruit om met een list een deel van de kruisvaarders bij de graaf van Scharnitz te bevrijden (buskruit was toen nog niet bekend in Europa). Het gebruik van die kennis leidt echter ook tot beschuldigingen van hekserij en ketterij. Nicolaas ziet Dolf als een bedreiging voor zijn eigen leiderschap en Dom Anselmus wantrouwt de jongen, die net iets te intelligent is en niet in het sprookje over de ontzetting van Jeruzalem wil geloven. Anselmus en Dolf worden al snel tegenstanders.
In een volksgericht wordt Dolf door de hulp van zijn vrienden vrijgesproken. Dom Anselmus is duidelijk een onbetrouwbare priester, maar wát er met hem mis is, weet Dolf niet precies.
Wanneer de kinderkruistocht bij Genua is aangekomen biecht Dom Johannes, de tweede monnik, het plan aan Dolf op. Hij heeft berouw gekregen en kan niet aanzien wat er zal gebeuren. Het plan is namelijk dat aan de teleurgestelde kinderen, voor wie de zee uiteraard niet zal splijten, schepen worden aangeboden, die hen "naar het Heilige Land zouden voeren". De ware bestemming is echter de slavenmarkt van Noord-Afrika, waar de kinderen als slaaf verkocht zouden worden. Deze truc is in Frankrijk al een keer met succes uitgehaald. In ruil voor de kinderen, zouden Dom Anselmus en Dom Johannes rijkelijk beloond worden.
Dolf licht de kinderen in en Anselmus wordt ontmaskerd. De kinderen lynchen de nepmonnik. Nu is het de vraag waar ze naartoe moeten. De meeste kinderen trekken dieper Italië in, een stuk of 1000 kinderen gaan onder leiding van Dom Johannes naar Duitsland terug. Maar Italië is een schiereiland, een doodlopende weg. Steeds meer kinderen verlaten het nu snel slinkende leger om zich in Toscane of Umbrië te vestigen. Nog éénmaal redt Dolf de kinderen, dit keer van de graaf van Trasimeno. Ten slotte bereikt het slinkende leger Bari en Brindisi. Daar ontdekt Dolf dat zijn familie hem zoekt, en hij weet terug te keren naar zijn eigen tijd.

2019-08-29 23:03:16

De avonturen van Kuifje (Frans: Les Aventures de Tintin) is een stripreeks over de fictieve reporter Kuifje, getekend door de Belgische scenarist en striptekenaar Hergé (1907-1983). De reeks startte als krantenstrip in 1929 en het eerste album verscheen in 1930. De reeks verscheen ook in weekbladen. Het eerste Nederlandstalige album verscheen in 1946. Van een aantal albums werden in de loop der jaren vernieuwde versies uitgegeven. Per maart 2014 waren Kuifjealbums verschenen in 110 talen en dialecten en waren er wereldwijd in totaal meer dan 230 miljoen albums verkocht.
Kuifje begon als stripverhaal in Le Petit Vingtième, de jongerenbijlage van de rooms-katholieke krant Le Vingtième Siècle, met het verhaal van Kuifje in het land van de Sovjets. Als rooms-katholiek dagblad was de Siècle sterk gekant tegen het communisme en de parodie op de Sovjets moet in dat licht gezien worden. Zo laat een Russische communist in het album aan westerse communisten zien hoe goed de fabrieken in de Sovjet-Unie draaien. Kuifje gaat de zaak van naderbij bekijken en ontdekt dat de rook uit de schoorstenen komt van gestapeld hooi dat verbrand wordt.
Hergé beweerde dat Kuifje in de beginjaren onbewust op zijn broer Paul gebaseerd was. Kuifje kreeg Pauls kuif, leeftijd (16-17), houdingen, gebaren en karakter. Het beroep van avontuurlijke reporter was geïnspireerd op de Franse journalist Albert Londres.[2] Al voor het ontstaan van Kuifje had de tekenaar een duo bedacht, bestaande uit een jongeman en een hondje. Er is slechts een klein verschil tussen de figuur en de naam van Totor, P.L. van de Meikevers, zijn allereerste ballonstrip die hij in december 1928 voor het Belgische satirische weekblad Le Sifflet maakte, en die van Kuifje (Tintin).

2019-08-29 23:04:01

Lucky Luke is een Belgische stripreeks die sinds 1946 loopt. De hoofdpersoon is een cowboy die avonturen beleeft in het Wilde Westen. De strip werd bedacht door de Belg Maurice De Bevere onder het pseudoniem Morris. Twee jaar na diens overlijden in 2001 hervatte Hervé Darmenton (Achdé) het tekenwerk.
Lucky Luke is een humoristische stripreeks en heeft vele scenaristen gehad, waarvan René Goscinny de bekendste en meest gevierde was. De verhalen spelen zich alle af in de Verenigde Staten in de negentiende eeuw. Vaak worden de clichés van het westerngenre geparodieerd en ook bekende kleurrijke historische personages opgevoerd.
De strip behoort samen met De avonturen van Kuifje en Asterix tot de succesvolste Europese stripseries. De reeks is in 23 talen vertaald, waaronder enkele Afrikaanse en Aziatische talen

De stripserie draait om de rondzwervende cowboy Lucky Luke, die overal waar hij komt, helpt om onrecht en misdaad te bestrijden. Hij staat vooral bekend om het feit dat hij sneller schiet dan zijn schaduw. De overige hoofdpersonages zijn Lukes trouwe paard Jolly Jumper, de domste hond ter wereld Rataplan en de boevenbende De Daltons.
Alle verhalen spelen zich af in de 19e eeuw, zij het zonder duidelijke chronologie of vermelding van jaartallen. Lucky Luke ontmoet ook regelmatig beroemde historische figuren, zoals Calamity Jane, Billy the Kid, Jesse James, Abraham Lincoln en Sarah Bernhardt, en is betrokken bij verschillende historische gebeurtenissen, zoals de oprichting van de Pony Express, de aanleg van de eerste telegraafverbinding van de oostkust naar de westkust en de kolonisatie van Oklahoma. In werkelijkheid leefden deze personen van de vroege tot late 19e eeuw, en vonden de gebeurtenissen waar Luke bij betrokken is over een periode van vele jaren plaats. Zo ontmoet Lucky Luke in The Daily Star de journalist Horace Greeley voor diens reis naar New York, wat dit verhaal rond 1830 plaatst, terwijl Lukes betrokkenheid bij het gevecht met de Daltonbende in Coffeyville (in het album Vogelvrij) rond 1892 plaatsvindt.