Donderdag 16 januari 2020 om 21:50

Download at: 11-3-2020 15:46:34

$i: Index | $pi: Padded Index | $an: Album Name | $d: Date | $dc: Date Compact
$c: Caption | $fc: Caption (First line) | $fw: Caption (First word)
$t: Tag | $ft: First Tag | $o: Original file name

Preview:


Filter Photos By:

Caption:
Tag:
Comment:

2018-08-23 18:46:46

Brigitte Bardot

Brigitte Bardot (Parijs, 28 september 1934) is een Frans fotomodel, actrice en zangeres. Als ondeugende "stoeipoes" en frivole pin-upgirl maakte ze zeer snel internationaal furore en vooral in Europa vormde ze een icoon van de jaren vijftig. Als sekssymbool was zij een Frans antwoord op de Amerikaanse Marilyn Monroe (MM).
Haar naam werd vaak afgekort als BB, wat vanwege de alliteratie erg voor de hand lag, maar wat nog meer populair werd door een tophit van Dario Moreno (1961), waarin Bardot in het Frans en Portugees wordt bezongen

Bardot, een dochter van een industrieel Louis Bardot, werd op het conservatorium van Parijs tot klassiek balletdanseres geschoold. Ze begon met modellenwerk toen ze 15 jaar oud was. In 1952 was ze voor het eerst te zien op het witte doek in Le Trou Normand. In hetzelfde jaar trouwde ze op 18-jarige leeftijd met regisseur Roger Vadim. Ze scheidde in 1957 van hem en trouwde later met acteur Jacques Charrier (1959-1962), de Duitse miljonair Gunter Sachs (1966-1969) en de Franse, extreemrechtse politicus Bernard d"Ormale (1992-heden). BB heeft ook relaties gehad met Serge Gainsbourg (die zelfs een album naar haar vernoemde), Sacha Distel en Jean-Louis Trintignant (acteur). Ze heeft één kind, Nicolas-Jacques Charrier (geboren in 1960).

Brigitte Bardot heeft in totaal 48 films gemaakt. Haar internationale doorbraak kwam in 1956 met Vadims "Et Dieu... créa la femme", waarin ze het weesmeisje Juliette speelt. De film veroorzaakte een sensatie in de Verenigde Staten, en katapulteerde Bardot naar wereldfaam.
Brigitte Bardot was op haar best in lichte komedies, waarvoor ze een merkbaar acteertalent bezat. Een goed voorbeeld hiervan is Une Parisienne uit 1957, naar Bardots zeggen een van haar weinige films waar ze trots op is. Toch was Bardot wellicht ook in staat om dramatische rollen te spelen, zoals althans bleek in de film La Vérité (1960) van regisseur Henri-Georges Clouzot. De rol die ze hierin speelt wordt artistiek als haar beste beschouwd. Zelf vindt ze dit samen met Et Dieu... créa la femme ook haar beste film.

Eind september 1960 doet ze een mislukte zelfmoordpoging en belandt ze in een ziekenhuis in Nice. Een jaar later maakt ze bekend te zullen stoppen met filmen, maar aan dat voornemen geeft ze geen gevolg. Haar laatste film maakt ze in 1973.

Sinds de jaren zeventig doet Bardot veel werk als dierenrechtenactiviste. Zo heeft ze een aantal keer op de foto gestaan met zeehondjes om de zeehondenjacht aan te klagen. Veel van haar werk voor dierenrechten was in samenwerking met de milieu-organisatie Sea Shepherd Conservation Society. (Om die reden heeft Sea Shepherd een van hun schepen naar haar genoemd, namelijk de voormalige "Gojira"). Ook maakt zij zich sterk voor het behoud van de natuur van het schiereiland achter Saint-Tropez. Haar controversiële en openhartige meningen over zaken als immigratie, de islam en homoseksualiteit hebben haar reputatie in de loop der jaren sterk beïnvloed. Ze werd meerdere malen veroordeeld wegens racisme en discriminatie. .

2018-08-23 18:46:46

Brigitte Bardot 1962 -2015

2018-08-23 18:46:46

Audrey Hepburn

Audrey Hepburn, geboren als Audrey Kathleen Ruston, (Elsene, 4 mei 1929 – Tolochenaz, 20 januari 1993) was een Britse actrice en speciaal ambassadeur van het United Nations Children"s Fund (Unicef). Ze geldt als een van de beroemdste filmactrices van de twintigste eeuw. In de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw was ze een stijlicoon.
Ze won in 1953 voor haar vrouwelijke hoofdrol in Roman Holiday een Oscar, een BAFTA Award en een Golden Globe. Hepburn is daarmee de eerste actrice die deze drie filmprijzen kreeg voor dezelfde vertolking. In totaal werden haar drie BAFTA"s toegekend, een record voor vrouwen, en werd ze vijf keer genomineerd voor een Oscar. Ze is een van de weinigen die zowel een Oscar, een BAFTA, een Emmy en een Tony Award kregen. Daarnaast ontving ze de Cecil B. DeMille Award, de Screen Actors Guild Life Achievement Award, de Special Tony Ward en in 1992 een BAFTA Lifetime Achievement Award. Bekende hoofdrollen had ze in de films Sabrina (1954), The Nun"s Story (1959), Breakfast at Tiffany"s (1961), Charade (1963), My Fair Lady (1964), Wait Until Dark (1967) en andere.

Hepburn werd in het Belgische Elsene geboren als Audrey Kathleen Ruston.[1] Ze was een dochter van de Britse bankier Joseph Anthony Ruston en de Nederlandse Ella barones van Heemstra. Haar vader veranderde later zijn geslachtsnaam in die van Hepburn-Ruston.
Hepburns moeder was een dochter van Aarnoud van Heemstra, voormalig burgemeester van Arnhem en gouverneur van Suriname. Hepburn had twee halfbroers, Alexander en Ian Quarles van Ufford, uit het eerste huwelijk van haar moeder met een Nederlandse aristocraat.
Hepburn groeide op in de Keienveldstraat te Elsene. Toen ze bijna twee was, verhuisde het gezin kortstondig naar de Elsensesteenweg 311 en naar de Bronstraat 99 in Sint-Gillis.[2] Vanaf januari 1932 woonde het gezin in een villa in het landelijke Linkebeek (nu Beukenstraat 129). Tijdens deze Brusselse kinderjaren ging ze soms met haar moeder naar balletten en concerten.

Haar ouders verhuisden naar Londen en verbonden zich daar aan de British Union of Fascists. Haar vader zamelde er geld voor in en haar moeder was redactrice voor het partijorgaan The Blackshirt. In die hoedanigheid woonde ze in 1935 de Reichsparteitag bij in Neurenberg. In 1939 scheidden haar ouders, maar haar moeder woonde toen al enkele jaren in Nederland, terwijl Hepburn bij haar vader in Londen verbleef. Na de inval in Polen in september 1939 en de daaropvolgende Britse oorlogsverklaring aan Duitsland werd Hepburn door haar moeder naar Nederland gehaald in de verwachting dat het neutrale Nederland buiten de oorlog zou blijven. Hepburn ging in Arnhem naar de Openbare Lagere School nr. 21. Het gezin woonde in Arnhem eerst in een eengezinswoning aan Sickeszlaan 7, maar verhuisde al snel naar een ruime bovenwoning aan de Jansbinnensingel 8a. Uiteindelijk woonde Hepburn aan het eind van de oorlog in Velp. Hepburn zat op de Arnhemse Muziekschool van 1939 tot 1945, waar ze balletlessen volgde. Tijdens de Tweede Wereldoorlog gaf ze meerdere malen met haar school openbare balletuitvoeringen.

Na de oorlog speelde ze op achttienjarige leeftijd een rolletje als KLM-stewardess in Nederlands in zeven lessen. De regisseur van deze Nederlandse film uit 1948, Charles Huguenot van der Linden, zou later claimen dat hij de ontdekker is geweest van Hepburn. Later verhuisde ze met haar moeder naar Londen waar ze balletles nam. Audrey had altijd al een passie voor ballet en wilde het in deze wereld maken. Maar door geen enkele auditie werd ze geselecteerd. Ze heeft ook als model gewerkt en begon pas later, in 1951, met acteren in speelfilms. Tijdens een opname in Zuid-Frankrijk werd ze opgemerkt door de schrijfster Colette, die haar wilde als hoofdrol in het door haar geschreven stuk Gigi.

Na een succesvolle reeks op Broadway, deed Hepburn auditie voor de film Roman Holiday. Eerst werd de rol van prinses toebedeeld aan Elizabeth Taylor, maar door contractuele problemen moest zij de film laten schieten. De tegenspeler van Hepburn, Gregory Peck, had tijdens de opnames door dat hij tegenover een natuurtalent stond. Hij kreeg gelijk, want Hepburn ontving voor deze eerste Hollywoodrol meteen een Oscar voor beste actrice. Voor die prijs zou ze gedurende haar carrière nog viermaal genomineerd worden. Het lied Moon River, dat ze zong in de film Breakfast at Tiffany"s, won in Hepburns uitvoering een Oscar voor beste originele lied. De toonsoort was wel aangepast wegens haar beperkte zangkwaliteiten. Hepburns zangstem in My Fair Lady werd voor het overgrote deel overgenomen door de Amerikaanse sopraan Marni Nixon. Hepburns moeder speelde een figurantenrol in de film Funny Face, als klant van een cafeetje.
Als een van Hollywoods populairste publiekstrekkers schitterde Hepburn op het witte doek naast onder anderen Fred Astaire, Humphrey Bogart, Gary Cooper, Cary Grant, Rex Harrison, Peter O"Toole, Gregory Peck, George Peppard, Burt Lancaster en Sean Connery.

Hepburn is tweemaal getrouwd. Op 25 september 1954 huwde ze de twaalf jaar oudere Amerikaanse acteur Mel Ferrer. Voor hem was het zijn vierde huwelijk; met zijn eerste echtgenote trouwde hij tweemaal. Op 5 december 1968 werd de echtscheiding uitgesproken. Op 18 januari 1969 trouwde Hepburn met een negen jaar jongere Italiaanse psychiater. Het huwelijk werd in 1982 ontbonden. Ze kreeg twee zoons, Sean Ferrer en Luca Dotti. De Schotse schrijver A.J. Cronin was de peetoom van Sean. Ten tijde van haar overlijden was ze de levenspartner van de negen jaar jongere Nederlandse oud-acteur Robert Wolders, de weduwnaar van filmster Merle Oberon. In 1952 was ze verloofd met James baron Hanson. Hepburn verbrak de relatie in hetzelfde jaar. Als reden voerde ze aan dat een huwelijk met hem tot mislukken zou zijn gedoemd, omdat ze elkaar door haar werk als actrice weinig zouden zien. Hepburn kreeg in haar leven vier miskramen, waarvan een toen ze bij de opnamen van de film The Unforgiven van een paard viel.

2018-08-23 18:46:46

Bettie Mae Page

Bettie Mae Page (Kingsport (Tennessee), 22 april 1923 - Los Angeles, 11 december 2008) was een Amerikaans fotomodel.
In de jaren vijftig werd ze bekend als pin-up girl onder leiding van Irving Klaw. In januari 1955 was zij Playmate van de maand voor het blad Playboy Magazine. Ook werkte ze als bondagefotomodel. Page werd vooral "ondergronds" populair vanwege de taboesfeer die rond haar foto"s hing.
Eind jaren 50 bekeerde ze zich tot het christelijk geloof, volgde een drietal Bijbelscholen en werkte vervolgens voor allerlei christelijke organisaties, onder meer voor die van de baptistische evangelist Billy Graham.

Page werd geboren in Nashville, Tennessee als tweede van de zes kinderen van Walter Roy Page (1896 - 1964) en Edna Mae Pirtle (1901 - 1986). Page had geen gemakkelijke jeugd. Al op jonge leeftijd moest zij de zorg voor haar jongere broers en zussen op zich nemen. Haar ouders scheidden wanneer ze 10 jaar oud was. Nadat haar vader, die door Page beschuldigd werd van seksueel misbruik, gevangen genomen werd, leefden Page en haar twee zussen een jaar lang in een protestants weeshuis.
Als tiener imiteerden Page en haar zussen de verschillende make-up- en haarstijlen van hun favoriete filmsterren en Page leerde zichzelf ook naaien. Deze vaardigheden bleken goed van pas te komen in haar latere carrière, waarbij Page als pin-upmodel haar eigen make-up, kapsels en kostuums verzorgde.
Page was een goede student en lid van het debatteam van de Hume-Fogg High School. Op 6 juni 1940 studeerde Page met de hoogste resultaten af van de middelbare school. Na de middelbare school ging Page studeren aan George Peabody College (nu een deel van Vanderbilt University) met de bedoeling leerkracht te worden. Het volgende schooljaar begon ze er echter met een acteeropleiding, met het oog op een carrière als filmster. Rond die tijd kreeg ze ook haar eerste job te pakken, als typiste voor de auteur Alfred Leland Crabb. Page studeerde in 1944 af als bachelor in de kunsten.
In 1943 trouwde ze met Billy Neal, een klasgenoot uit de middelbare school, vlak voor hij in het leger stapte voor de Tweede Wereldoorlog. De volgende jaren verhuisde ze vaak, van San Francisco tot Nashville en Miami en tot Port-au-Prince in Haïti. In november 1947, toen ze terug in de Verenigde Staten was, vroeg ze de scheiding aan.

n 1949 verhuisde Page naar New York, waar ze hoopte werk te vinden als actrice. In tussentijd kluste ze bij als secretaresse.
In 1950 ontmoette Bettie NYPD-officier Jerry Tibbs tijdens een wandeling langs de kust van Coney Island. Tibbs werkte als fotograaf en gaf Page zijn kaartje. Volgens hem zou ze het ver kunnen schoppen als pin-upmodel en in ruil voor de toestemming haar te fotograferen, stelde hij voor dat hij zou helpen met haar eerste pin-up-portfolio. Het is ook aan Tibbs dat Page haar iconische kapsel te danken heeft. Hij stelde voor om een pony te knippen, zodat het licht niet op haar voorhoofd zou reflecteren wanneer ze gefotografeerd werd. Deze pony werd al snel een vast deel van haar kenmerkende look.
In de late jaren 40 werden er zogenaamde camera clubs opgericht om zo de wetten die toen nog de productie van naaktfoto"s verboden, te omzeilen. Deze clubs bestonden ogenschijnlijk ter promotie van artistieke fotografie, maar in de realiteit waren veel clubs slechts een dekmantel voor het maken van pornografie. Page begon haar carrière als model in deze clubs en werkte vooral samen met fotograaf Cass Carr. Het feit dat Page zonder enige remming of gêne poseerde, zorgde er al snel voor dat haar naam en imago al snel bekend werden binnen industrie van erotische fotografie. In 1951 verschenen de foto"s van Page voor het eerst in mannenmagazines als Wink, Titter, Eyefull en Beauty Parade.

Volgens goede vriend Mark Roesler, werd Page op 6 december 2008 in kritieke toestand opgenomen in het ziekenhuis. Volgens het persbureau Associated Press verklaarde Roesler dat Page een hartinfarct kreeg, maar televisiestation KNBC citeerde Roesler anders en verklaarde dat Page opgenomen was door de gevolgen van een longontsteking. Bettie Page overleed op 11 december 2008.

2018-08-23 18:46:46

Elizabeth Taylor

Elizabeth Rosemond Taylor (Hampstead (Londen), 27 februari 1932 – Los Angeles, 23 maart 2011[1]), ook wel Liz genoemd, was een Brits-Amerikaans actrice. Zij won in 1960 een Oscar voor haar hoofdrol in Butterfield 8 en in 1966 voor haar hoofdrol in Who"s Afraid of Virginia Woolf?. Ze kreeg daarnaast meer dan 35 andere filmprijzen, waaronder een BAFTA Award, een Zilveren Beer en vier Golden Globes.

Taylor was het tweede kind van Francis Lenn Taylor (1897-1968) en Sara Viola Warmbrodt (1895-1994). Haar oudste broer was Howard Taylor (1929). Hoewel ze vaak "Liz" genoemd werd, hield ze niet van de bijnaam.[1] Zelf prefereerde ze dat haar voornaam uitgesproken zou worden als Eee-lizabeth (met klemtoon op de eerste lettergreep). Haar middelste naam Rosemond was een eerbetoon aan haar oma van vaderskant, Elizabeth Mary Rosemond.
Taylors ouders kwamen uit Arkansas City in Kansas. Haar vader was kunsthandelaar, haar moeder actrice die stopte met werken toen ze in 1926 in New York huwde. Na hun huwelijk emigreerden zij naar Engeland (Hampstead) waar Elizabeth werd geboren. Zo kon het zijn dat Taylor zowel de Britse als de Amerikaanse nationaliteit bezat. De Britse op grond van het ius soli, de Amerikaanse op grond van het ius sanguinis.
Als driejarige kreeg Taylor haar eerste balletlessen. Kort nadat Groot-Brittannië betrokken raakte bij de Tweede Wereldoorlog, besloten haar ouders terug te keren naar de Verenigde Staten. Het gezin vestigde zich in Los Angeles, waar moeder Taylor familie had wonen.
Op negenjarige leeftijd debuteerde Taylor op het witte doek met "There"s one born every minute". Universal Studios verlengde haar contract niet en ze stapte over naar Metro-Goldwyn-Mayer (MGM). Daar was haar eerste film Lassie Come Home uit 1943, de eerste film over de Schotse collie. Deze film vestigde de aandacht op de jonge Taylor, waardoor ze voor meer films werd uitverkoren. In 1944 speelde ze in National Velvet een meisje dat een paard traint, haar eerste hoofdrol. De film bracht meer dan 4 miljoen dollar op. Taylor kreeg een langetermijncontract aangeboden. Naast haar acteren volgde ze onderwijs en studeerde ze aan de University High School in Los Angeles. In 1950 haalde ze haar diploma.
In 1956 was ze, met James Dean, te zien in "Giant". Taylor won tweemaal een Academy Award voor de beste vrouwelijke hoofdrol: in 1960 voor Butterfield 8 en in 1966 voor Who"s Afraid of Virginia Woolf?. Ze werd driemaal genomineerd voor deze prijs (1957, 1958 en 1959).
In 1963 werd ze de bestbetaalde actrice ooit na het tekenen van een contract voor de rol van Cleopatra in de gelijknamige film. Voor deze film ontving ze één miljoen dollar. Tijdens de opnames van deze film ontmoette ze haar toekomstige echtgenoot Richard Burton, die Marcus Antonius speelde. Aan de film ging een schandaal vooraf. De roddelpersfotograaf Marcello Geppetti experimenteerde in 1962 met een nieuw stuk technologie, de zoomlens, en schrok de wereld op met een privéfoto van de kussende Taylor en Burton, twee gehuwden met kinderen, nietsvermoedend elkaar kussend in het katholiekste land van de wereld.
Naast films speelde ze op het podium en in televisieseries zoals "General Hospital" en "The Simpsons". Ook werkte ze mee aan een videoclip van Elton John. Ze heeft twee parfumlijnen geïntroduceerd, die samen naar schatting 200 miljoen dollar per jaar omzet genereren.
Taylor stak veel tijd en energie in liefdadigheid, vooral met betrekking tot aids. Na de dood van haar vriend Rock Hudson hielp ze met het oprichten van de American Foundation for AIDS Research (amfAR). Naar schatting verzamelde ze in 1999 50 miljoen dollar voor de bestrijding van aids.
Zelf had ze de laatste jaren te lijden onder haar gezondheid. Daarnaast had ze vijfmaal haar rug gebroken, een hersentumor overleefd en tweemaal een levensbedreigende longontsteking gehad. Ze vocht jarenlang tegen een pillen- en drankverslaving en in oktober 2009 raakte haar hartfalen bekend: een aandoening waarbij het hart onvoldoende bloed door het lichaam pompt. In de ochtend van 23 maart 2011 overleed Taylor in Los Angeles aan een hartverlamming, meldde het ABC News.[1] Taylor werd 79 jaar oud en laat vier kinderen, tien kleinkinderen en vier achterkleinkinderen na.
Hoewel ze graag naast haar ouders begraven wilde worden in Westwood Village Memorial Park Cemetery, werd ze al de dag na haar overlijden begraven op het Forest Lawn Memorial Park in Glendale, in de buurt van Los Angeles.

2018-08-23 18:46:46

Che Guevara (1928 - 1967)

Ernesto Guevara (Rosario (Argentinië), 14 mei of 14 juni 1928 – La Higuera (Bolivia), 9 oktober 1967), beter bekend onder de naam Che Guevara, was een Argentijns marxistisch revolutionair en Cubaans guerrillaleider. De bijnaam Che kreeg hij gedurende zijn verblijf in Guatemala. In Latijns-Amerika wordt de kreet “Che” gebruikt om iemands aandacht te trekken; het kan vrij vertaald worden als vriend of maat. “Che” wordt ook gebruikt als bijnaam voor iemand uit Argentinië.
Che Guevara was een lid van Fidel Castro"s revolutionaire Beweging van de 26ste juli, die in 1959 via een revolutie in Cuba aan de macht kwam. Na verscheidene posten in de nieuwe Cubaanse regering te hebben bekleed, verliet Guevara Cuba in 1966 om de revolutie in andere landen te verspreiden, eerst in de Democratische Republiek Congo en later in Bolivia. Op 8 oktober 1967 werd Guevara opgepakt tijdens een door de CIA georganiseerde militaire operatie van het Boliviaanse leger. Hoewel de CIA hem voor ondervraging in leven wilde houden, werd Guevara de dag na zijn gevangenname geëxecuteerd. In juli 1997 zijn de overblijfselen van Guevara en zes van zijn kameraden naar Cuba overgebracht en in oktober 1997 met militaire eer bijgezet in een mausoleum in Santa Clara

2018-10-22 12:38:08

Jane Seymour Fonda (New York, 21 december 1937) is een Amerikaanse actrice. Ze is ook bekend als politiek activiste en fitnessgoeroe

Fonda komt uit een acteursfamilie. Ze is de dochter van Frances Ford Seymour, die zelfmoord pleegde toen Jane twaalf jaar oud was, en de acteur Henry Fonda. Haar broer is acteur Peter Fonda en haar nichtje Bridget Fonda. Ze is vernoemd naar haar oma"s achternaam "Jayne", die was getrouwd met William Brace Fonda (°1879). De familie is afkomstig uit de plaats Fonda in de staat New York, gesticht door een immigrant uit Friesland.
Als kind had ze niet veel belangstelling voor acteren, totdat ze in 1954 samen met haar vader een rol speelde in The Country Girl, een toneelstuk van de Omaha Community Theatre. Ze studeerde daarna kunst aan het Vassar College in New York. In 1958 ontmoette ze Lee Strasberg, waarna ze lid werd van zijn Actors Studio. Uiteindelijk belandde ze op Broadway in het stuk Tall Story. In 1960 werd Tall Story verfilmd, en speelde ze dezelfde rol.
In 1964 was ze een van de eerste grote Amerikaanse sterren die naakt te zien was in een buitenlandse film: La Ronde (1964) van haar toenmalige vriend en latere echtgenoot Roger Vadim. In 1965 volgde haar doorbraak in de western Cat Ballou, waarin Fonda haar komische kanten kon laten zien. Het was een van de succesvolste films van het jaar en kreeg vijf Oscarnominaties. In 1967 volgde Barefoot in the Park, met Robert Redford.
In 1968 kwam de cultklassieker Barbarella uit. De film werd geregisseerd door Vadim en toonde Fonda van haar sensueelste kant. In 1969 volgde They Shoot Horses, Don"t They?, een zeer serieuze film. They Shoot Horses... leverde haar haar eerste Oscarnominatie op.

Aan het einde van de jaren zestig kwam Fonda in opspraak door haar politiek activisme. In 1968 ontmoette ze de activist Tom Hayden (die haar tweede man zou worden) en raakte ze betrokken bij protesten tegen de Vietnamoorlog. Zo toerde ze in 1970 samen met Donald Sutherland langs de Amerikaanse westkust met de roadshow, FTA ("Free the Army"), het antwoord van de anti-Vietnambeweging op Bob Hopes USO Tour. In juli 1972 maakte ze een controversiële reis naar Hanoi, waar ze de bijnaam "Hanoi Jane" aan dankte. Bij vele Amerikanen ligt deze periode nog steeds gevoelig. In 2004, tijdens de Amerikaanse verkiezingen, werd een vervalste foto van Democratische presidentskandidaat John Kerry met Fonda gebruikt als propaganda tegen Kerry.
Alhoewel door haar politieke strijd haar acteercarrière in een slop dreigde te raken, speelde ze in 1971 in Klute, waar ze een Oscar voor beste actrice voor kreeg. In 1978 volgde haar tweede Oscar voor haar rol in Coming Home. Een andere belangrijke film uit de late jaren zeventig was The China Syndrome, een aanklacht tegen kernenergie.
In 1981 speelde ze in On Golden Pond, waarin ze voor het eerst samen met haar vader speelde in een film. Henry Fonda kreeg zijn eerste Oscar voor deze film, die Jane namens hem in ontvangst nam. Hij stierf enige maanden later. Na deze film speelde ze in nog enkele films. Tussen haar laatste twee films, Stanley & Iris uit 1990 en Monster-in-Law uit 2005, zit bijna vijftien jaar. In 2014 waagde ze ook haar kans op het kleine scherm en kreeg de hoofdrol in de Netflix-serie Grace and Frankie.
In de jaren tachtig begon ze ook een nieuwe carrière als gezondheidsgoeroe. Ze maakte enkele video"s en boeken over fitness en aerobics.
In 1991 trouwde ze met Ted Turner, de oprichter van CNN. Ze trok zich terug uit de filmwereld en wijdde haar leven aan goede doelen. In 1995 stichtte ze de Georgia Campaign for Adolescent Pregnancy Prevention en in 2002 opende ze het Jane Fonda Center for Adolescent Reproductive Health. Ze scheidde in 2001 van Turner.

2018-10-22 12:38:08

Jayne Mansfield,
artiestennaam van Vera Jayne Palmer, (Bryn Mawr (Pennsylvania), 19 april 1933 – bij Slidell (Louisiana), 29 juni 1967) was een Amerikaans filmactrice en sekssymbool.
Ze was bekend om haar platinablonde haar, haar zandloperfiguur en haar diepe decolletés. Ze werd bekend in het midden van de jaren vijftig nadat Marilyn Monroe blonde sekssymbolen met een vergelijkbaar lichaamstype erg populair had gemaakt.
Mansfield heeft niet in veel films gespeeld – na een paar grote rollen in Hollywood bleek de combinatie van negatieve publiciteit en slechte zakelijke beslissingen te veel, en ze belandde buiten het spotlicht van Hollywood. Ze trad op in kleine nachtclubs, en speelde in een aantal kleine producties, voornamelijk melodrama"s en komedies, voordat ze op 34-jarige leeftijd bij een auto-ongeluk om het leven kwam.

Ze was enig kind en woonde in Phillipsburg, in New Jersey. Haar vader overleed aan een hartaanval toen hij met zijn vrouw en driejarige dochter in een auto reed. Haar moeder hertrouwde in 1939, en ze verhuisden naar Dallas in Texas.
Ze studeerde drama en natuurkunde aan de Southern Methodist University, en deed een aantal colleges aan de University of Texas in Austin, waar ze haar eerste man ontmoette. Haar eerste optreden was op 22 oktober 1953 in een productie van Arthur Millers Death of a Salesman.
Ze won ook een aantal schoonheidswedstrijden in Texas, waaronder Miss Photoflash, Miss Magnesium Lamp en Miss Fire Prevention. In 1954 verhuisden ze naar Los Angeles, waar ze drama studeerde aan de UCLA.

Ze was al op jonge leeftijd een fan van de actrice Shirley Temple, en ze wilde zelf ook een filmster worden. Ze was zich er wel van bewust van de kracht van publiciteit, legitiem of zelfgegenereerd. Er wordt wel gezegd dat ze haar eerste werk voor tv kreeg nadat ze de producent een briefje had toegestopt met daarop alleen haar maten: "39, 22, 35" (die later zelfs 40-21-36 zouden bedragen), en nog geen half uur na de geboorte van haar tweede kind belde ze naar een roddelcolumniste om ervoor te zorgen dat de geboorte in de publiciteit kwam.
Haar filmcarrière begon met kleine rollen voor Warner Brothers. Ze werd door de studio gecontracteerd nadat ze was ontdekt in een productie van Pasadena Playhouse in 1953.
In 1955 was de ze playmate van de maand in Playboy. Ze zou in dit blad vaker verschijnen. Datzelfde jaar kreeg ze een rol aangeboden in de film The Burglar. De film werd in een film noirstijl opgenomen, maar werd pas twee jaar later, toen ze het bekendst was, uitgebracht. Haar optreden in deze dramatische rol was populair, maar ze speelde in de films hierna alleen maar komische rollen, of rollen die haar als sekssymbool benadrukten.
Na nog twee films verhuisde ze naar New York, waar ze in een prominente rol op het toneel verscheen in de Broadwayproductie van de komedie Will Success Spoil Rock Hunter? (1955). Alhoewel ze in eerste instantie de rol niet had willen aannemen, kreeg ze uiteindelijk de Theatre World Award 1956 voor haar schaarsgeklede portret van Rita Marlowe.
In 1956 tekende ze een contract met 20th-Century Fox, en met haar rol in The Wayward Bus probeerde ze zich te distantiëren van haar status als sekssymbool, en te profileren als serieuze actrice. De film was tamelijk populair, en ze won een Golden Globe voor haar optreden. Hierna verscheen ze opnieuw als Rita Marlowe, dit keer in de filmversie van Will Success Spoil Rock Hunter?. In oktober 1957 ging ze op tournee door Europa, waarbij ze zestien landen aandeed. Ze ontmoette de koningin van Engeland en kreeg veel aandacht tijdens het filmfestival in Cannes. Ook werd ze (in het programma "Mensen, dingen en nu") geïnterviewd door Wim Sonneveld. De uitzenddatum was 11 oktober 1957. Twee dagen later verrichtte de Amerikaanse actrice op Het Kasteel de aftrap van de voetbalwedstrijd tussen Sparta en DOS. De spelers van de Rotterdamse club waren naar verluidt zo onder de indruk van Mansfields zwoele kus op de mond van aanvoerder Rinus Terlouw dat Sparta met 7-1 verliest.[1]
Haar films The Girl Can"t Help It en Will Success Spoil Rock Hunter? waren populair, maar de opvolger Kiss Them for Me (1957) deed het niet zo goed, en bleek haar laatste rol in een grote Hollywoodfilm te zijn.
Ze bleef echter in het spotlicht, en won een Golden Laurel in 1959 voor haar muzikale optreden in de western-spoof The Sheriff of Fractured Jaw.

2018-10-22 12:38:08

Lucille Ball and Desi Arnaz
Lucille Désirée Ball (Jamestown, New York, 6 augustus 1911 – Beverly Hills (Californië), 26 april 1989) was een Amerikaanse actrice en comédienne, bekend als Lucy in de televisieserie I Love Lucy.

Kinderjaren en vroege carrière[bewerken]
Haar vader Henry Durrell Ball (1887-1915) was van Schotse afkomst en verre verwant van de eerste Amerikaanse president George Washington. Haar moeder Desiree Eve Hunt (1892-1977) was van Frans-Engels-Ierse afkomst. Na de dood van haar vader werden Lucille en haar broer Fred door haar moeder en grootouders opgevoed. Haar grootvader was een fervent aanhanger van het theater en stimuleerde Lucy om op school mee te spelen in toneelstukken. Ze schreef zich in in de John Murray Anderson School for the Dramatic Arts. Daar had ze echter een zware concurrente die haar overtroefde, Bette Davis. De leraren zeiden dat ze geen toekomst had en Ball keerde terug naar huis.
In 1932 verhuisde ze naar New York om er actrice te worden en had daar eerst succes als model. Maar haar carrière kwam niet van de grond en een jaar later verhuisde ze naar Hollywood. Daar kreeg ze kleine filmrollen en werd bevriend met de ster Ginger Rogers. Ze speelde vooral in B-films en kreeg de titel Queen of the B"s. De King of the B"s was Macdonald Carey.

In 1940 ontmoette ze de Cubaanse bandleider Desi Arnaz. De twee werden verliefd en trouwden. Het koppel kreeg veel media-aandacht. Twee jaar later moest Arnaz het leger in en was hij ontrouw. Door een knieblessure mocht hij uit het leger. In 1944 vroeg Ball de scheiding aan, maar kwam daar later op terug.
In 1948 kreeg ze een rol in een radioprogramma, dat een succes werd. CBS vroeg haar om hiervan een tv-versie te maken. Ze wilde dit enkel doen als ze met haar man kon werken en zo werd het immens populaire I Love Lucy geboren. Het koppel had een eigen productiehuis gestart Desilu Productions. CBS was echter niet onder de indruk van de pilotaflevering, maar nadat Ball en Arnaz met veel succes een tournee deden in het vaudevilletheater kwam de serie op televisie.
Ball wilde samen met Arnaz werken om haar huwelijk te redden. In 1951 werd hun eerste kind geboren, Lucie Arnaz, een jaar later volgde Desi Arnaz Jr. De zwangerschap moest ook op televisie komen maar daar was CBS niet voor te vinden, uiteindelijk mocht het dan toch maar ze mochten het woord zwanger niet gebruiken maar moesten in verwachting zeggen. In 1957 werd de laatste aflevering van I Love Lucy uitgezonden.
In 1953 moest Ball voor de House Committee on Un-American Activities verschijnen omdat ze zich, op aandringen van haar socialistische grootvader, had geregistreerd als aanhanger van de Communistische partij voor de voorverkiezingen van 1936.
Op 4 mei 1960, enkele weken na het opnemen van de laatste aflevering van The Lucy-Desi Comedy Hour scheidde het koppel. Maar Arnaz bleef tot aan zijn dood in 1986 goed bevriend met Ball.
Een jaar later trouwde Ball met de stand-upcomedy-acteur Gary Morton die 12 jaar jonger was. Hij had haar nooit gezien op televisie, omdat hij zelf optrad op primetime als Lucy op tv kwam. Hij kreeg een job bij Desilu (Ball had Arnaz inmiddels uitgekocht).

2018-10-22 12:38:08

Marilyn Monroe,
pseudoniem van Norma Jeane Mortenson (Los Angeles, 1 juni 1926 – aldaar, 5 augustus 1962), was een Amerikaans fotomodel, actrice en zangeres. Ze werd als sekssymbool een icoon in de jaren vijftig.
Marilyn Monroe – Norma Jeane – had een moeilijke jeugd. Haar moeder was Gladys Pearl Mortenson, geboren Monroe,[1] en was eerder gehuwd met John Baker. Norma Jeanes moeder liet zich nog naar hem Gladys Sasha Baker noemen en liet Norma Jeane ook met deze achternaam dopen. Gladys Baker was weliswaar in 1924 getrouwd met Martin E. Mortensen, maar ze leefden al gescheiden voordat Gladys zwanger werd.[2] Mogelijk was Norma Jeanes vader Charles Stanley Gifford.[3] Gifford en Gladys Baker werkten beiden in de snijstudio van RKO Pictures, waar Baker Giffords ondergeschikte was. Gladys Baker was drugsverslaafd en liet de opvoeding van Marilyn over aan haar vrienden Albert en Ida Bolender. Toen Baker na een lange tijd met haar dochter in een oud krot ging wonen, kreeg ze een zenuwinzinking waardoor ze helemaal op hol sloeg (volgens ooggetuigen zou ze op het dak geklommen zijn en zo de hele buurt bij elkaar geschreeuwd hebben). Monroe werd daarna in het gezin van Grace McKee (later Goddard) geplaatst. Monroe zou nooit een goede band met haar moeder opbouwen. In een later interview zei ze over haar moeder: "To me, she was just that red-haired woman." ("Voor mij was ze slechts die roodharige vrouw.")
In 1942 moest McKee"s man voor zijn werk naar de oostkust van de Verenigde Staten. Het was voor het stel te duur om de 16-jarige Monroe nog te onderhouden. De jonge Monroe had twee keuzes: terug naar het weeshuis of trouwen. Ze koos voor het laatste en trouwde op 19 juni 1942 met haar 21-jarige buurjongen James Dougherty. Terwijl Dougherty in het leger diende, ging Monroe in op het verzoek van een fotograaf om te poseren, onder andere voor naaktfoto"s. Toen Dougherty terugkeerde, kon hij haar niet langer thuishouden en op 13 september 1946 scheidde het stel. Dougherty trouwde daarna nog tweemaal. Hij overleed in 2005.

In de jaren daarna probeerde Monroe aan de slag te komen in Hollywood. Ze kreeg onder de naam Marilyn Monroe een contract bij een filmmaatschappij, maar buiten één kleine bijrol, die ook nog eens sneuvelde in de montagekamer, bleef dit aanvankelijk zonder succes. Een contract bij een maatschappij was in die tijd vaak een geïnstitutionaliseerde vorm van prostitutie: de "actrices" mochten met de relaties van de filmbazen uit eten.
Ze werkte ondertussen aan haar houding, nam acteer- en zanglessen, blondeerde haar haar en liet haar gebit reviseren. Geleidelijk aan maakte ze naam als dom blondje, een imago dat ze bewust cultiveerde. Haar eerste grote rol was in How to Marry a Millionaire. Ze had groot succes met Gentlemen Prefer Blondes, naast Jane Russell, en met The Seven Year Itch, waarin het befaamde shot zit met de opwaaiende jurk. Haar laatste project was Something"s Got To Give, een onvoltooide film waarin ze tegenover Dean Martin speelde.
Monroes huwelijk met de honkballer Joe DiMaggio, met wie ze op 14 januari 1954 trouwde, duurde slechts 7 maanden (tot 27 oktober 1954). Ze gingen evenwel als goede vrienden uit elkaar. DiMaggio bracht na Monroes dood in 1962 gedurende 20 jaar driemaal per week verse rozen naar haar graf.

2018-11-07 21:57:28

John F. Kennedy

John Fitzgerald („Jack”) Kennedy (Brookline (Massachusetts), 29 mei 1917 – Dallas (Texas), 22 november 1963), ook bekend onder zijn initialen JFK, was een Amerikaans politicus van de Democratische Partij. Vanaf 20 januari 1961 was hij de 35e en jongst gekozenpresident van de Verenigde Staten, totdat hij op 22 november 1963 op 46-jarige leeftijd, tijdens een rondrit in een open limousine, in Dallas werd vermoord.
Bij het grote publiek is Kennedy bekend geworden als de president die de Amerikaanse plannen bekendmaakte om een man op de maan te zetten om zo de ruimtewedloop met de Sovjet-Unie te winnen. Daarnaast werd zijn voortijdig afgebroken termijn gekenmerkt door de Cubacrisis en steeds sterkere Amerikaanse inmenging in de Vietnamoorlog en zijn poging de wapenwedloop te stoppen. Kennedy was evenwel een meer pragmatisch dan ideologisch geïnspireerd leider.

Levensloop

Jonge jaren
Kennedy kwam uit een van oorsprong Ierse rooms-katholieke familie. Zijn moeder heette Rose Kennedy. Zijn vader Joseph (Joe) Kennedy was een politicus en steenrijk zakenman. Het echtpaar had negen kinderen. Het gezin werd na Kennedy"s verkiezing tot president ook wel schertsend de onofficiële koninklijke familie van de Verenigde Staten en de Kennedyclan genoemd, omdat er zo veel invloedrijke personen uit voortgekomen zijn.
Kennedy bleek zeer intelligent en had goede schoolresultaten, maar hij had al vroeg een slepende ziekte en, later, zware rugproblemen, die hem de rest van zijn leven zouden kwellen. Hij woonde en studeerde enige tijd in Londen en maakte vóór de oorlog een reis door Europa, waarover hij in 1940 als afstudeerscriptie een scherp analyserend verslag schreef met daarin waarschuwingen tegen Hitler, getiteld "Why England Slept" over het Britse aandeel in het Verdrag van München, een scriptie die daarna als boek gepubliceerd een bestseller werd. Hij behaalde aan Harvard cum laude een graad in internationale betrekkingen.
In de oorlog was hij luitenant bij de marine, hoewel hij als gevolg van zijn lichamelijke kwalen in eerste instantie niet werd goedgekeurd voor actieve dienst. Dankzij de invloed van zijn familie lukte het hem echter in een gevechtsfunctie te worden geplaatst. Voor veel kiezers zou dat bij presidentsverkiezingen een voorwaarde voor hun stem zijn.
Een dag nadat de Japanners Pearl Harbor bombardeerden (op 7 december 1941), werd Kennedy uitgezonden naar de Stille Oceaan. Daar voerde hij het bevel over een motortorpedoboot (de PT-109) die door de Japanse kruiser Amagiri bij de Salomonseilanden overvaren werd en zonk, waarna hij met een moedige actie toch zijn bemanning wist te redden. Na het zinken van de boot zwom Kennedy met de overlevenden vier uur in zee voordat zij een 5,6 km verder gelegen eiland (Kasolo Island of ook wel Kennedy Island) wisten te bereiken. Kennedy, die deel had uitgemaakt van het zwemteam van Harvard, trok hierbij een gewond bemanningslid. Omdat Kasolo Island slechts 100 meter in doorsnede is en er geen voedsel te vinden was, zwommen Kennedy en zijn mannen naar een ander eiland (Olasana Island). Omdat er in dit gebied regelmatig Japanse schepen langs voeren, was deze tocht niet zonder gevaar. Na 10 dagen van kokosnoten geleefd te hebben, werden Kennedy en zijn mannen ontdekt door inboorlingen en ten slotte gered. Voor zijn betoonde moed en doorzettingsvermogen ontving Kennedy de Navy and Marine Corps Medal. Tegen verslaggevers die aan hem vroegen hoe hij een oorlogsheld was geworden, grapte Kennedy "doordat ze mijn boot tot zinken brachten".
Als gevolg van de bij deze actie opgelopen verwondingen en andere kwalen, zoals de ziekte van Addison (waar toen nog geen goede medicatie voor ontwikkeld was), leed Kennedy aan ernstige rugpijnen. Buiten het zicht van de openbaarheid liep hij daarom vaak op krukken. Hoewel Kennedy naar buiten toe de indruk maakte een buitengewoon gezond man te zijn, was dat in werkelijkheid niet zo. Hij stond onder voortdurend medisch toezicht en had een eigen lijfarts.
Kennedy had al vroeg een levendige belangstelling voor vrouwen en had een groot aantal minnaressen, zoals lange tijd de Deense journaliste Inga Arvad in Washington in de jaren 40,[bron?] waarvan de verdenking bestond dat zij een nazi-spionne was. Ook wordt beweerd dat Kennedy tijdens zijn huwelijk een relatie zou hebben gehad met Marilyn Monroe, die hem op zijn vijfenveertigste verjaardag zo verleidelijk had toegezongen (Happy Birthday, Mr. President). Bewijs hiervoor ontbreekt echter. Hij was sinds 1953 getrouwd met Jacqueline Bouvier, met wie hij vier kinderen kreeg: Arabella (1956, doodgeboren), Caroline (1957), John F. Jr. (1960-1999) en Patrick (1963, stierf twee dagen na zijn geboorte).
Politieke carrière
In 1946 werd Kennedy gekozen tot Afgevaardigde voor het Congres voor Boston en in 1952 tot senator. In 1956 schreef hij "Profiles in Courage" over Amerikaanse senatoren die met gevaar voor hun loopbaan standpunten innamen die afweken van die van hun partij. Dit boek kreeg in 1957 de journalistieke Pulitzerprijs voor biografie.
Als Congreslid bezocht Kennedy voor het eerst Frans Indo-China, waar op dat moment de Eerste Indochinese Oorlog aan de gang was. In 1956, na de stichting van Noord- en Zuid-Vietnam, bezocht hij de regio opnieuw.
Presidentschap

De inaugurele rede van John F. Kennedy
John F. Kennedy werd in 1960 gekozen tot 35e president van de VS na een nipte verkiezingsoverwinning (een half procent verschil)[4] op de Republikein en zittend vicepresident Richard Nixon. Zijn running mate was Lyndon B. Johnson, die dan ook zijn vicepresident werd. Kennedy"s presidentschap was sterk pragmatisch georiënteerd; historica Barbara Tuchman kenmerkt Kennedy als "progressief noch conservatief (...) een man met een snel verstand en sterke ambitie die vele verheven principes overtuigend, welsprekend en zelfs barmhartig wist te verwoorden, terwijl zijn daden daar niet altijd mee in overeenstemming waren. (...) In het Kennedy-kamp werden idealisten gewoonlijk "zeveraars" genoemd of "sentimentele doetjes"."
Kennedy liet zich niet makkelijk manipuleren en liet al vroeg merken wie de baas was. Na de mislukte invasie in de Varkensbaai ontsloeg Kennedy twee hoge CIA-bazen en dreigde naar verluidt de CIA "in duizend stukjes te versplinteren en uit te strooien in de wind."Kennedy wilde ook J. Edgar Hoover ontslaan, die al sinds mensenheugenis de directeur van de FBI was. Hij veranderde van gedachten toen dit plan, vanwege de politieke gevolgen ervan, niet haalbaar bleek te zijn.[Kennedy"s presidentschap werd ook gekenmerkt door zijn hang naar vrede en zijn menslievendheid. Dit alles leverde hem medestanders op, maar zorgde ook voor tegenstanders op hoge posities.
Kennedy"s presidentschap begon in een economisch voorspoedige tijd. Wel waren er in de Verenigde Staten intern veel strijdpunten. Vooral in het zuiden kwam nog veel racisme voor en was er in het openbare leven sprake van een strikte rassenscheiding, vergelijkbaar met apartheid in Zuid-Afrika. Het verzet daartegen nam toe, mede onder invloed van Ds. Martin Luther King. Veel strijders voor burgerrechten waren geïnspireerd door de vooruitgangsboodschap van president Kennedy, maar kregen in de praktijk geen steun van de president. Kennedy vond het opheffen van rassenscheiding een zaak van de individuele staten en niet van de federale overheid. Slechts als federale wetten werden overtreden (zoals de weigering zwarte reizigers te bedienen bij interstate busreizen) greep hij in. De zwarte bevolking van de VS moest wachten op president Johnson, de opvolger van Kennedy, voordat er daadwerkelijk wetgeving tot stand zou komen die discriminatie op basis van huidskleur onwettig verklaarde.

Buitenlandbeleid
De Koude Oorlog speelde vanaf het allereerste begin de boventoon in Kennedy"s buitenlandbeleid, dat mede werd vormgegeven door de Republikeinse minister van Defensie Robert McNamara. In december 1960 was het Nationaal Bevrijdingsfront van Zuid-Vietnam opgericht en twee weken voor Kennedy"s inauguratie op 20 januari 1961 had Nikita Chroesjtsjov, de Russische president, de "nationale bevrijdingsoorlogen" in Vietnam, Cuba en elders volledige steun van de Sovjet-Unie beloofd. Kennedy refereerde hieraan in zijn inaugurele rede als het "uur van het grootste gevaar" voor de vrijheid. Al in de eerste tien dagen van Kennedy"s presidentschap werd een plan gelanceerd om met Amerikaans geld en personeel de Zuid-Vietnamese strijdmachten uit te breiden met 20.000 militairen en 32.000 paramilitairen. De inmenging in de Vietnamese burgeroorlog werd steeds intensiever; begin 1963 waren er 17.000 Amerikaanse militairen aanwezig in Zuid-Vietnam.

Vietnam
Het Congres werd buiten de besluitvorming omtrent Vietnam gehouden; op beschuldigingen uit Republikeinse hoek dat hij "niet openhartig" was tegenover zijn volk, antwoordde Kennedy in februari 1962 dat er "daarheen geen gevechtstroepen in de gebruikelijke betekenis van het woord gestuurd" waren. De voornaamste activiteiten van de Amerikaanse krijgsmacht in Vietnam waren troepentransport, opleiding van Zuid-Vietnamese manschappen, luchtsteun bij anti-guerrilla-acties en ontbladering van bossen door o.a. Agent Orange (vanaf 1961). Het aantal Amerikaanse doden in het gebied bedroeg tijdens Kennedy"s eerste ambtsjaar 14, het jaar daarop 109. Onder Amerikaanse leiding leken de kansen voor Zuid-Vietnam te keren; gewelddadige deportatie van de Zuid-Vietnamese plattelandsbevolking door de eigen regering speelde hierin overigens ook een grote rol, omdat zo de "Vietcong"-guerrillero"s de toegang tot voedsel kon worden ontzegd.

De Varkensbaai-invasie
Al snel kreeg Kennedy te maken met een erfenis van zijn voorganger, president Eisenhower: plannen om een invasie te laten plegen op Cuba door anti-Castro-Cubanen onder regie van onder andere de CIA. Kennedy was door zijn staf op de hoogte gebracht van de onder Eisenhower geplande invasie en besloot dit plan door te zetten. Kennedy verzekerde de Amerikaanse bevolking ervan dat de Verenigde Staten hierbij niet zelf betrokken zouden raken. Op het laatste moment wilde de CIA toestemming om Amerikaanse strijdkrachten in te zetten, omdat de invasie met de anti-Castro-Cubanen mislukte. Kennedy weigerde en de invasie liep uit op een groot fiasco. Honderden mannen sneuvelden of werden gevangengenomen. Voor een hoge prijs kon Kennedy ze later "kopen" van Castro. Dit incident werd bekend onder de naam Invasie in de Varkensbaai en het Varkensbaai-Fiasco. Kennedy hield een speech op televisie waarin hij de volledige verantwoordelijkheid van de blunder op zich nam.

Reis naar de maan
Kennedy gaf tijdens zijn presidentschap de ruimtevaart een enorme impuls door, nadat de Sovjets een voorsprong hadden genomen in de ruimterace, in 1961 aan het Amerikaans Congres voor te stellen geld beschikbaar te stellen voor een reis naar de maan. Kennedy vroeg zich echter af of deze reis een nationale kwestie zou moeten zijn. In een voordracht voor de Verenigde Naties op 20 september 1963 gaf hij aan dat hij mogelijkheden zag deze reis in samenwerking met de Sovjet-Unie te maken. Kennedy kreeg de kans niet dat voorstel nader uit te werken, twee maanden later werd hij vermoord.

Cubacrisis
In de tweede helft van zijn presidentschap werden de internationale spanningen in de Koude Oorlog groter en mondden uit in de Cubacrisis, die had kunnen uitlopen op een Derde Wereldoorlog. Er waren nucleaire raketten in het spel en Chroetsjov had gedreigd deze af te schieten. Kennedy speelde blufpoker op het hoogste niveau, maar kwam op 28 oktober 1962 als winnaar uit de strijd. Door het diplomatiek oplossen van de crisis, steeg zijn populariteit.
Uitspraken
Kennedy was een begaafd spreker met een sterk charisma, dat opviel bij mensen uit de gehele westerse wereld. Hij werd een icoon van het westerse kamp in de Koude Oorlog. Bij zijn buitenlandse bezoeken kreeg hij altijd veel enthousiaste belangstelling, zoals in Berlijn, waar hij staande op het balkon van Rathaus Schöneberg de legendarisch geworden woorden "Ich bin ein Berliner" uitsprak. Een andere veelgeciteerde uitspraak van hem is "ask not what your country can do for you, ask what you can do for your country", die deel uitmaakte van zijn inauguratietoespraak.
Enkele andere markante en nog veel geciteerde uitspraken hadden betrekking op het begin jaren 60 geuite voornemen om binnen tien jaar "mensen op de maan" te zetten (en ze weer veilig terug te brengen). Dit zou ook gebeuren met het toen opgestarte Apolloprogramma. Uit zijn toespraak voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in september 1961 komen de uitspraken dat deze organisatie "het enige alternatief voor oorlog" zou zijn en dat "de mensheid een einde aan de oorlog moet maken, omdat de oorlog anders een einde aan de mensheid zal maken". Weer een andere uitspraak, over de conditie van de moderne mens, leidde tot de invoering van de naar hem genoemde Kennedymarsen over 80 km (50 mijl), die in Nederland jaarlijks in veel plaatsen worden georganiseerd.

Moord
Op 22 november 1963 om 12.30 uur CST (18.30 UTC) werd Kennedy dodelijk verwond door twee geweerkogels, één door het hoofd en één door zijn rug, terwijl hij in een open presidentiële limousine over Dealey Plaza in Dallas in de Amerikaanse staat Texas gereden werd. Zijn rijtour was onderdeel van een publieksreis door Texas, mede georganiseerd met het oog op zijn eventuele herverkiezing in 1964.
Kennedy was de vierde president van de Verenigde Staten die vermoord werd en de achtste die tijdens de uitoefening van zijn ambt overleed. Twee officiële onderzoeken leidden tot de conclusie dat Lee Harvey Oswald, werkzaam in het schoolboekenmagazijn op Dealey Plaza, de moordenaar was. Volgens het onderzoek van de Commissie-Warren handelde Oswald alleen, volgens het onderzoek van de Enquêtecommissie van het Huis van Afgevaardigden was er ten minste nog één andere schutter. De moord op Kennedy is nog altijd onderwerp van speculatie en heeft stof opgeleverd voor vele samenzweringstheorieën.
Twee dagen na de moord op Kennedy werd Oswald op het politiebureau van Dallas vermoord door nachtclubeigenaar Jack Ruby, waardoor hij niet meer kon worden voorgeleid en er geen proces tegen hem werd gevoerd.
Het graf van John F. Kennedy bevindt zich op de begraafplaats Arlington National Cemetery, Virginia, vlak bij het Pentagon. Met een "eeuwige vlam" getooid, is het voor de vele bezoekers een herdenkingsplaats.
Na de moord op Kennedy leidde Jim Garrison, de officier van justitie in New Orleans, een uitgebreid onderzoek naar de omstandigheden rondom deze moord. Dit leidde uiteindelijk tot een proces wegens samenzwering tegen de zakenman Clay Shaw, die evenwel werd vrijgesproken.

Eerbewijzen
De naam van Kennedy leeft onder andere voort in het vliegveld John F. Kennedy International Airport (voorheen: Idlewild) in het stadsdeel Queens in New York en na zijn dood bepaalde zijn opvolger dat de lanceerbasis op Cape Canaveral in Florida voortaan het Kennedy Space Center zou heten. Midden jaren 60 werd in de VS het vliegdekschip de USS John F. Kennedy gebouwd, het enige schip in de John F. Kennedyklasse. Welke grote indruk hij had gemaakt bleek onder meer toen binnen een paar maanden na zijn overlijden ook in Europa al grote straten en pleinen naar hem werden vernoemd. Zo werd al op 9 januari 1964 de Rivierenlaan te Amsterdam omgedoopt tot President Kennedylaan. In Antwerpen werd een tunnel onder de Schelde naar hem genoemd.

2018-11-07 21:57:28

Martin Luther King

Martin Luther King en Malcolm X ontmoeten elkaar voor een persconferentie. Beide mannen waren naar de senaat gekomen om te luisteren naar het debat over de Civil Rights Act, 26 maart 1964
Martin Luther King, oorspronkelijk Michael Luther King, Jr. (Atlanta (Georgia), 15 januari 1929 – Memphis (Tennessee), 4 april 1968), was een Amerikaanse baptistendominee, politiek leider en een van de prominentste leden van de Afro-Amerikaanse burgerrechtenbeweging.
King werd beroemd in de jaren 1950 en 1960 dankzij zijn geweldloze verzet tegen de rassenscheiding in de Verenigde Staten, onder meer door de mars naar Washington op 28 augustus 1963 en het boycotten van stadsbussen die blanken bevoordeelden. Zijn verbale en retorische vaardigheden en charismatische uitstraling leverden hem veel roem op, maar King had ook vijanden. Tijdens de betoging in 1963 hield hij op de trappen van het Lincoln Memorial zijn legendarische toespraak "I Have a Dream", waarin hij zijn hoop uitsprak dat mensen ooit op hun gedrag en niet op hun huidskleur beoordeeld zouden worden. Een jaar later, op 10 december 1964, kreeg hij de Nobelprijs voor de Vrede.
In 1968 werd Martin Luther King op 39-jarige leeftijd doodgeschoten terwijl hij op het balkon van het Lorraine Motel in Memphis stond. Dit was een tragisch dieptepunt in de roerige jaren 1960, waarin ook andere progressieven en voorvechters van burgerrechten in de Verenigde Staten, zoals president John F. Kennedy (november 1963), Malcolm X (februari 1965) en Robert F. Kennedy (juni 1968), slachtoffer werden van geweld.
Voor velen is Martin Luther King een symbool voor de burgerrechtenbeweging in de Verenigde Staten gebleven. De derde maandag in januari is in de VS de Martin Luther Kingdag, een nationale feestdag, gewijd aan King en zijn gedachtegoed.

Biografie

King werd geboren als kleinzoon en zoon van predikanten van de Ebenezer Baptist Church te Atlanta, in de zuidelijke staat Georgia. Hij ondervond al zeer snel dat er in het zuiden nog vele vooroordelen waren tegenover de Afro-Amerikanen en wilde daar wat aan veranderen. Zijn wens was om de donkere mensen en de blanke mensen gelijkwaardig te maken.
Na de dood van zijn grootmoeder deed hij op 12-jarige leeftijd een zelfmoordpoging door van de tweede etage van een huis te springen. Op 15-jarige leeftijd ging hij werken op een tabaksplantage in Connecticut, meer naar het noorden van de V.S., en was onder de indruk van de goedaardige verstandhouding tussen blanken en zwarten daar. In 1953 trouwde hij met de muzikante Coretta Scott.

Jaren vijftig
King studeerde theologie aan het Crozer Theological Seminary in Chester, Pennsylvania. In 1955 verkreeg hij het doctoraat (Ph.D.). Daarna wijdde hij zich aan zijn ambt van dominee van de Dexter Avenue baptist Church in Montgomery, Alabama, waarin zijn vader hem op 31 oktober (hervormingsdag) 1954 had bevestigd. Daar was hij getuige van een incident dat de burgerrechtenbeweging in een stroomversnelling bracht.
Op 1 december 1955 weigerde de zwarte Rosa Parks haar plaats in een bus aan een blanke reiziger af te staan. Zwarte mensen moesten volgens de plaatselijke verordeningen achter in de bus plaatsnemen. De (eveneens blanke) politie werd erbij gehaald en gaf de blanke chauffeur en passagier gelijk. Rosa Parks werd uit de bus gezet en vervolgens gearresteerd. De zwarte gemeenschap van Montgomery, onder leiding van dominee King, reageerde op het incident met een geslaagde busboycot (1955-1956) en bereikte een belangrijke overwinning toen de busmaatschappij van Montgomery ook aan zwarten moest toestaan om op iedere plaats in de bus te gaan zitten. Hierna bereikte King spoedig nationale bekendheid vanwege zijn uitzonderlijke charisma en persoonlijke moed. Bij tal van gelegenheden trad hij als spreker op, waarbij hij de discriminatie van de zwarte bevolking aan de kaak stelde.
King stichtte de Southern Christian Leadership Conference (SCLC) en nam het voorzitterschap op zich. Door de vereniging werd hij in staat gesteld terug te gaan naar Atlanta en zich te wijden aan de strijd voor gelijkheid van de zwarte Amerikanen, waarbij zijn grote voorbeeld Mahatma Gandhi was, omdat ook deze streefde naar wilskracht en geweldloosheid bij protesten.
Kings filosofie van niet-gewelddadig verzet leidde bij talrijke gelegenheden tot zijn arrestatie. King werd gehaat door aanhangers van de rassenscheiding in de zuidelijke staten. Er werd een aanslag op zijn woonhuis gepleegd en hij en andere zwarte leiders werden op beschuldiging van samenzwering veroordeeld.

Jaren zestig
Toch hadden Kings campagnes succes: op 28 augustus 1963 hield hij een toespraak tijdens de mars naar Washington, waar meer dan 250.000 mensen op af kwamen en waar Mahalia Jackson op zijn verzoek "I"ve been buked and I"ve been scorned" zong. In zijn toespraak beschreef hij dat blanken en zwarten kunnen samenleven en sprak hij de legendarische woorden "I have a dream". In 1964 kreeg hij de Nobelprijs voor de Vrede toegekend. Op 6 augustus 1965 ondertekende president Lyndon B. Johnson de "Voting Rights Act" en willigde zo de meeste van Kings eisen in.
De leidende positie van King binnen de burgerrechtenbeweging werd midden jaren 1960 uitgedaagd, toen er stemmen opgingen om meer militante acties te voeren in plaats van het door King nagestreefde vreedzame protest. Hij behield echter zijn belangrijke positie en ging zich ook op andere zaken richten. Zo uitte hij kritiek op de Vietnamoorlog en maakte hij zijn zorg over armoede kenbaar.
Op 4 april 1967, exact een jaar voor zijn dood, sprak King zich duidelijk uit tegen de rol van de Verenigde Staten in de oorlog en hij stelde dat de Verenigde Staten in Vietnam waren om het "als Amerikaanse kolonie te bezetten" en dat de Verenigde Staten morele veranderingen behoefden.

Dood
Op 4 april 1968 werd King in Memphis doodgeschoten op het balkon van het Lorraine Motel (sinds 1991 het National Civil Rights Museum). De moord leidde tot een golf van onlusten in meer dan 60 Amerikaanse steden, waarbij 39 doden vielen. President Lyndon B. Johnson verklaarde 7 april 1968 tot een dag van nationale rouw. Kings begrafenis op 9 april 1968 werd bijgewoond door ruim 150.000 mensen. Miljoenen over heel de wereld keken mee via de televisie. In veel landen hingen de vlaggen op overheidsgebouwen halfstok.
James Earl Ray, een misdadiger die echter niet eerder geweld had gebruikt, bekende op advies van zijn advocaat de moord en ontliep zo de doodstraf. Hij werd veroordeeld tot 99 jaar gevangenisstraf. De rest van zijn leven probeerde hij zijn bekentenis in te trekken en beweerde hij dat er een samenzwering was geweest. In 1997 werd deze opvatting gesteund door leden van de familie van King. Ray stierf in een gevangenis in 1998. In 1999 won de familie van King een juryrechtszaak in Memphis tegen Loyd Jowers, die beweerde dat hij de moord voor een maffiafiguur had gepleegd. Veel deskundigen waren echter niet overtuigd door het vonnis en in 2000 werd, na een onderzoek van 18 maanden, geconcludeerd dat er geen bewijsmateriaal tegen Jowers was.

Nabestaanden
Kings weduwe Coretta Scott King, die na zijn dood zijn werk voortzette, overleed op 30 januari 2006 op 78-jarige leeftijd in Mexico. Het echtpaar had twee dochters en twee zonen. Een van de dochters, Yolanda King, overleed op 15 mei 2007 in Santa Monica op 51-jarige leeftijd aan een hartaanval.

2018-11-13 21:32:57

Marlon Brando

Marlon Brando jr. (Omaha (Nebraska), 3 april 1924 – Los Angeles (Californië), 1 juli 2004) was een Amerikaans film- en theateracteur en zanger. Brando wordt beschouwd als een van de belangrijkste method actors, die de acteertechniek in Hollywood in de jaren vijftig onder de aandacht bracht met rollen in A Streetcar Named Desire en On the Waterfront, beide geregisseerd door Elia Kazan. Latere iconische rollen zijn onder andere Vito Corleone in The Godfather en Colonel Kurtz in Apocalypse Now. Brando"s acteerstijl had grote invloed op acteurs als Paul Newman, Elvis Presley, James Dean, Robert De Niro, Rutger Hauer en vele anderen. Brando was tevens een activist, die onder andere opkwam voor de rechten van de Indianen.

Vroege jaren
Marlon Brando werd geboren in Omaha als zoon van Marlon Brando Sr., een vertegenwoordiger, en Dorothy Pennebaker, een aan alcohol verslaafde amateuractrice met haar eigen toneelvereniging. Ze hielp onder andere een jonge Henry Fonda bij zijn beginnende acteercarrière. Het paar had drie kinderen. Marlons oudste zus, Jocelyn Brando, was een toneelactrice. Hij was van gemengde afkomst: Brits, Iers, Duits en Nederlands. De relatie met zijn ouders was uitermate moeilijk. Zijn vader was vaak op de baan voor zijn werk, waarbij hij vaak bars en bordelen bezocht. Allebei zijn ouders hadden een drankverslaving, maar hoezeer hij zijn vader haatte, zoveel hield hij van zijn moeder.
Marlon Brando werd van diverse scholen gestuurd, waaronder de militaire academie Shattuck in Minnesota, waar zijn vader ook naar school was gegaan. Hij nam een baan aan als greppelgraver, waarna hij vertrok naar New York waar hij een jaar lang method acting aan de Dramatic Workshop van The New School studeerde, bij Stella Adler. Brando was tevens een van de eerste leden van The Actors Studio, een door Elia Kazan en Lee Strasberg opgerichte organisatie voor acteurs, regisseurs en toneelschrijvers om de technieken van method acting te onderwijzen en te verbeteren. Brando werd hier onderwezen door Strasberg.

Carrière
In 1944 maakte Brando zijn Broadwaydebuut als Nels in I Remember Mama. De jaren daarop speelde hij aldaar in verscheidene stukken, waaronder Truckline Café, Candida en Ben Hechts A Flag is Born, met Paul Muni in de hoofdrol. Voor zijn rol in Truckline Café werd hij door critici uitgeroepen tot de veelbelovendste acteur van Broadway. Zijn grote doorbraak kwam in 1947 in A Streetcar Named Desire van Tennessee Williams, waarin hij de rol van Stanley Kowalski speelde. Onder leiding van Kazan bracht Brando de rol op een natuurlijke, nonchalante manier, maar met een onderliggende intensiteit en seksualiteit die nog niet eerder gezien was. Het betekende de doorbraak van method acting. De weg opende de deur naar Hollywood, maar Brando weigerde in eerste instantie.

Filmcarrière in de jaren vijftig

In 1950 maakte Brando zijn filmdebuut als een verbitterde verlamde oorlogsveteraan in The Men van Stanley Kramer. Voor deze rol bracht hij een maand door in de boeg van een veteranenziekenhuis, waar hij ervaringen opdeed met de rehabilitatie van mensen met een dwarslaesie. Het jaar daarop speelde hij in de filmversie van A Streetcar Named Desire, opnieuw onder regie van Kazan. De film was een groot succes en won de Academy Award voor Beste Film. Het leverde Brando tevens zijn eerste Oscarnominatie op. Hierna speelde hij de Mexicaanse revolutionair Emiliano Zapata in Kazans Viva Zapata! (1952), en Marcus Antonius in de filmversie van Shakespeares Julius Caesar (1953). Tussendoor liep hij weg van de set van de Franse film Le rouge et le noir na onenigheid met de regisseur Claude Autant-Lara. In 1953 speelde hij tevens de leider van een motorbende in The Wild One, een iconische rol die van hem een voorbeeld zou maken voor een generatie jongeren en waarin voor het eerst motorrijden werd gekoppeld aan leren jassen en een rebelse levensstijl. Naar dit voorbeeld keken Elvis Presley en James Dean enorm op, die Brando als hun grote voorbeeld beschouwden.
Gedurende de jaren vijftig kwam hij dankzij deze rollen bekend te staan als een groot, rebels talent, die weinig ophad met het glamourleven en openlijk kritiek uitte op Hollywood, de filmindustrie en het sterrendom. Hij werd vier opeenvolgende jaren genomineerd voor de Academy Award voor Beste Acteur, voor A Streetcar Named Desire (1951), Viva Zapata! (1952), Julius Caesar (1953) en voor zijn rol van aan lager wal geraakte bokser Terry Malloy in On the Waterfront (1954). Enkel zijn rol in On the Waterfront werd bekroond met een Academy Award. Voor de rol in deze film won hij tevens een New York Film Critics Award en een prijs op het Filmfestival van Cannes.
In de latere jaren vijftig speelde hij in een grote verscheidenheid aan films. Hij speelde Napoleon Bonaparte in Désirée (1954), zong in de musical Guys and Dolls naast Frank Sinatra (1955), was te zien in de Broadway-bewerking The Teahouse of August Moon (1956) en kreeg een vijfde Oscarnominatie voor zijn rol als luchtofficier in Sayonara (1957). In 1958 was hij naast Dean Martin en Montgomery Clift te zien in The Young Lions. Deze film, waarin hij een nazi-officier speelde, was een grote hit.

Latere filmcarrière

Het duurde echter een poos voor hij weer een hit zou hebben. In de jaren zestig verscheen hij in een reeks van onsuccesvolle films, vaak van mindere kwaliteit. Dit kwam doordat Brando moeite had goede rollen te vinden en hij weigerde samen te werken met een groot aantal regisseurs. Hij begon het decennium met de western One-Eyed Jacks uit 1961, dat hij zelf zou produceren. Nadat Stanley Kubrick zich terugtrok uit het project nam Brando tevens de regie op zich. Het zou de enige film worden die Brando zou regisseren. De film was een bescheiden succes in de bioscopen maar maakte door de hoge kosten weinig winst.
Het volgende project verliep nog rampzaliger. Brando weigerde de hoofdrol in Lawrence of Arabia om te kunnen spelen in de remake van Mutiny on the Bounty (1962). De productie van deze film liep echter flink uit. Regisseur Carol Reed werd ontslagen en vervangen door Lewis Milestone. Brando gedroeg zich onmogelijk op de set: hij negeerde de regisseur volledig, eiste herhaaldelijk veranderingen in het script en nam de regie in eigen handen. De film zou uiteindelijk bijna $20 miljoen kosten, waarvan $1,2 miljoen voor Brando, destijds een recordsalaris voor een mannelijke acteur (Elizabeth Taylor was even daarvoor als eerste actrice de miljoengrens doorbroken voor haar rol in Cleopatra). Hoewel Mutiny on the Bounty een van de bestbezochte films van het jaar werd, wist hij door de hoge kosten geen winst te maken en werd hij beschouwd als een flop. Brando kreeg hierdoor het stempel box-office poison (vergif voor de kassa) opgedrukt en wist de rest van het decennium geen succesvolle films meer te maken.
In 1972 beleefde hij een comeback met twee zeer diverse rollen. Geheel tegen de wensen van Paramount in gaf regisseur Francis Ford Coppola hem de rol van Don Vito Corleone, het hoofd van een maffiafamilie, in The Godfather. Paramount kreeg ongelijk: de film groeide uit tot de bestbezochte film van het jaar en gold zelfs voor een korte tijd als de bestbezochte film aller tijden. Tegenwoordig wordt de film beschouwd als een van de beste Amerikaanse films aller tijden. Brando won tevens zijn tweede Oscar voor de film. Brando weigerde zijn Oscar voor The Godfather echter, en stuurde in plaats daarvan de onbekende Mexicaans-Indiaanse actrice Sacheen Littlefeather naar de uitreiking als protest tegen de manier waarop Hollywood de Indianen afspiegelde in films. Datzelfde jaar was hij te zien in Last Tango in Paris van Bernardo Bertolucci. De controversiële film, waarin hij een Amerikaanse weduwnaar speelde die een seksuele relatie aangaat met een jonge Française, kreeg goede recensies en werd eveneens een van de grotere kassuccessen van het jaar. Ook voor deze rol werd hij genomineerd voor de Academy Award voor Beste Acteur.
Na dit succesjaar ging Brando er drie jaar tussenuit, om pas in 1976 terug te keren in The Missouri Breaks, met Jack Nicholson in de andere hoofdrol. In 1979 speelde hij de rol van kolonel Walter Kurtz in Apocalypse Now. Hij was erg dik geworden en wilde daarom alleen in het schemerduister worden gefilmd. Hij zou nog veel zwaarder worden, tot hij een gewicht van ongeveer 150 kg zou bereiken. Brando was tegen die tijd het acteren gaan haten, liep van de set weg als iets hem niet beviel, en weigerde voor sommige films zijn rol te leren of het script zelfs maar in te zien. Hij kwam er zelfs openlijk voor uit het liefst zo veel mogelijk geld binnen te halen voor zo min mogelijk werk, als de $3,7 miljoen die hij kreeg voor dertien dagen werk op de set van Superman.
Begin jaren tachtig trok Brando zich terug op zijn privé-eiland Tetiaroa, ten noorden van Tahiti. In 1989 keerde hij weer terug naar het witte doek met de anti-apartheidsfilm A Dry White Season, waarvoor hij weer een Oscarnominatie kreeg, ditmaal voor Beste mannelijke bijrol. Het jaar daarop parodieerde hij zijn eigen rol in The Godfather in de komedie The Freshman, en in 1995 met Johnny Depp en Faye Dunaway in Don Juan DeMarco. De meeste van de films waar hij in de jaren negentig in speelde waren echter van mindere kwaliteit. Het dieptepunt was The Island of Dr. Moreau, waarvoor hij een Golden Raspberry Award voor slechtste mannelijke bijrol kreeg.
In 2001 zou hij een cameo hebben in Scary Movie 2, maar moest vanwege gezondheidsproblemen uit de film stappen. De laatste film waarin hij te zien was was The Score uit 2001, met naast hem Robert De Niro en Edward Norton in de hoofdrollen. Vlak voor zijn dood had hij nog een stem ingesproken voor de animatiefilm Big Bug Man. Deze film is tot op heden niet verschenen.

Privé

Brando was driemaal gehuwd, alle drie de keren met een actrice; van 1957 tot 1959 met Anna Kashfi, van 1960 tot 1962 met Movita Castaneda en van 1962 tot 1972 met de Tahitiaanse Tarita Teriipia. De laatste ontmoette hij tijdens de opnames van Mutiny on the Bounty, waarin zij (als Maimiti) het liefje van Brando (als Fletcher Christian) moest spelen. Hij had zestien kinderen, van wie drie geadopteerd en dertien biologische kinderen. Zijn jongste drie kinderen waren verwekt bij zijn huishoudster, Maria Christina Ruiz. Vermoedelijk had hij tevens nog tientallen kinderen waarvan zijn vaderschap nooit publiekelijk bekend is gemaakt.
Christian, zijn oudste zoon, schoot in mei 1990 Dag Drollet, de vriend van zijn zwangere halfzus Cheyenne, dood. Hij werd veroordeeld tot tien jaar cel. Cheyenne pleegde vijf jaar later zelfmoord. Zij was toen 25 jaar oud.
Brando was ook te zien in de videoclip van Michael Jacksons You Rock My World uit 2001.
Als hobby was Brando ook actief als radiozendamateur met de roepletters KE6PZH en FO5GJ.
Zijn beste vriend was acteur Wally Cox, met wie hij tijdens zijn studententijd in New York een kamer deelde. Toen Cox onverwachts op 48-jarige leeftijd stierf, nam Brando zijn as over van zijn weduwe, met de belofte om het uit te strooien in zee. In plaats daarvan hield hij de as dertig jaar lang verborgen in zijn kast. Uiteindelijk is zijn as samen met Brando"s as verstrooid in Death Valley.


Brando was tevens bekend om zijn politiek activisme. Hij sprak regelmatig zijn steun uit voor minderheden in de Verenigde Staten, en maakte zich sterk voor hun rechten. Sinds begin jaren zestig kwam hij op voor de rechten van Indianen, wat uiteindelijk uitmondde in het weigeren van de Oscar in 1972 vanwege de manier waarop Hollywood Indianen toonde in films. Hij was tevens een aanhanger van Martin Luther King, die hij financieel ondersteunde. In 1963 nam hij deel aan de Civil Rights March on Washington, D.C.
In 1994 verscheen zijn autobiografie, Songs My Mother Taught Me.
Brando leed al geruime tijd aan longfibrose toen hij op 1 juli 2004 in het UCLA Medical Center te Los Angeles overleed aan longproblemen. Hij leed tevens aan zwaarlijvigheid, hartfalen en diabetes, en recentelijk was leverkanker bij hem geconstateerd. Brando was tachtig jaar oud. Hij werd gecremeerd en zijn as is op twee plaatsen uitgestrooid, een deel op Tahiti en een deel, samen met de as van Wally Cox, in Death Valley.
Hij liet dertien kinderen na (twee stierven voor hem) en meer dan dertig kleinkinderen. Een van zijn kleinzonen is Versace-model Tuki Brando. Een van zijn kleindochters is Courtney Love, de weduwe van Kurt Cobain.

2018-11-13 21:32:57

Muhammad Ali,

geboren als Cassius Marcellus Clay (Louisville, 17 januari 1942 – Scottsdale, 3 juni 2016), bijgenaamd The Greatest en Louisville Lip, was een Amerikaans bokser.Ali werd door het sportblad Sports Illustrated uitgeroepen tot Sportman van de Eeuw. Hij werd driemaal wereldkampioen in het zwaargewicht en won een gouden medaille in het halfzwaargewicht op de Olympische Spelen van 1960 in Rome.
Ali werd vernoemd naar zijn vader Cassius Marcellus Clay senior (die op zijn beurt vernoemd was naar de abolitionist en politicus Cassius Clay). Ali veranderde zijn naam nadat hij lid was geworden van de Nation of Islam, een in de VS opgerichte separatistische religieuze en sociopolitieke organisatie. Later, in 1975, bekeerde hij zich tot de hoofdstroming binnen de islam: het soennisme.
Ali vocht in totaal 61 profpartijen, waarvan hij er 56 won (37 op knock-out) en 5 verloor (tegen: Joe Frazier, Ken Norton, Leon Spinks, Larry Holmes en Trevor Berbick).

Met een lengte van 1,91m had Ali een onorthodoxe en mooie boksstijl voor een zwaargewicht. In plaats van de gebruikelijke hoge dekking om het gezicht te beschermen, hield Ali zijn handen laag en vertrouwde hij op zijn vaardigheid om stoten te ontwijken. Op 29 oktober 1960 won Ali zijn eerste professionele gevecht. Over zes ronden won hij van Tunney Hunsaker, een politiechef uit Fayetteville. Van 1960-63 won de jonge bokser al zijn 19 partijen, waarvan 15 op knock-out. Hij versloeg namen als Tony Esperti, Jim Robinson, Donnie Fleeman, Alonzo Johnson, George Logan, Willi Besmanoff, Lamar Clark (die zijn voorgaande 40 gevechten op knock-out had gewonnen), Doug Jones en Henry Cooper. Verder won Ali van Sonny Banks (tegen wie hij neerging), Alejandro Lavorante en een op leeftijd zijnde Archie Moore (een bokslegende die meer dan 200 wedstrijden gebokst had en vóór Angelo Dundee Clays trainer was).
Ali"s overwinning in de tiende ronde tegen Doug Jones werd betwist, hoewel Jones lichter was dan Ali bracht hij hem nadat de bel voor de eerste ronde had geklonken aan het wankelen met een rechterstoot. Jones bleef Ali gedurende het gevecht met stoten bestoken. Het gevecht ging de boeken in als "Gevecht van het Jaar" in 1963. Ali"s volgende gevecht was tegen Henry Cooper. Cooper sloeg Ali tegen het einde van de vierde ronde neer met een linkse hoek. Het gevecht werd in de vijfde ronde gestaakt als gevolg van een diepe snee in Coopers gezicht.
Ondanks de nipte en twijfelachtige overwinningen tegen Doug Jones en Henry Cooper werd Ali de belangrijkste gegadigde voor een titelgevecht tegen regerend kampioen Sonny Liston. Ondanks Ali"s indrukwekkend palmares werd niet verwacht dat hij de kampioen zou verslaan. Het gevecht zou op 25 februari 1964 in Miami plaatsvinden. Tijdens de weging, de dag voorafgaand aan het gevecht, tartte de immer strijdbare Ali Liston in de aanloop naar het gevecht door hem onder andere "de grote lelijke beer" te noemen, te verkondigen dat hij zou "bewegen als een vlinder en steken als een bij" (float like a butterfly and sting like a bee) en, in een poging zijn strategie om Listons aanvallen uit de weg te gaan samen te vatten, zei: "Je handen kunnen niet raken wat je ogen niet kunnen zien".

Eerste titelgevecht: Ali tegen Liston
Sonny Liston werd wereldkampioen in het zwaargewicht, nadat hij Floyd Patterson in 1962 via een knock-out in de eerste ronde onttroond had. Wegens Listons harde stoten stonden andere zwaargewichten niet te popelen de kampioen uit te dagen. Liston stond te boek als een timide persoon, die weinig lachte en de pers niet graag te woord stond. Ali daarentegen was een 22-jarige veelprater, die hield van zijn plaats in het voetlicht. Ali had reeds een gouden medaille op de Spelen van Rome gewonnen, had snelle handen en veel zelfvertrouwen. Niettemin was hij vier jaar eerder neergegaan tegen Sonny Banks en Henry Cooper. Slechts weinigen geloofden in een overwinning voor Ali en bij de bookmakers stond hij met 7-1 genoteerd als de underdog.
Ali begon aan de partij met een duidelijk strijdplan. Liston dacht, naar aanleiding van een tijdens de weging bij Ali gemeten hartslag van 120 slagen per minuut, dat Ali nerveus was en was voornemens snel een einde aan het gevecht te maken. Liston was niet voorbereid op een lang gevecht. In de openingsronden bleef Ali met zijn snelheid uit de buurt van de hardstotende Liston en gebruikte zijn lengtevoordeel om Liston met directe stoten te raken. Ali werd enkele keren geraakt, maar beantwoordde Listons stoten met snelle combinaties. In de derde ronde raakte Ali Liston met verscheidene combinaties, die resulteerden in een zwelling onder Listons rechteroog en een snee onder zijn linkeroog. In de vierde ronde liep Ali na de bel op Liston af, maar ging terug naar zijn hoek en klaagde bij zijn trainer Angelo Dundee dat zijn ogen brandden en dat hij niets kon zien. Er is geopperd dat dit een stof was die gebruikt was om Listons bloeden te stelpen, of dat deze stof op Listons handschoenen was gebruikt, maar deze theorie is nooit bevestigd. Begin vijfde ronde stuurde Dundee Ali de ring in met de opdracht uit de buurt te blijven van Liston en zijn zware stoten te vermijden. Ali overleefde de vijfde ronde en in de zesde ronde beheerste hij de wedstrijd weer. In deze ronde plaatste hij ogenschijnlijk moeiteloos veel combinaties op het gezicht van Liston. Na de zesde ronde zei Liston tegen zijn hoek dat hij niet verder kon, hij klaagde over een schouderblessure. Toen de bel voor de zevende ronde ging kwam Liston niet meer uit zijn hoek en gaf zo zijn nederlaag toe. Zich ervan bewust geschiedenis te hebben geschreven, sprong Ali naar het midden van de ring, maakte een overwinningsdansje en liep naar de touwen naar waar de schrijvende pers gezeten was. Velen van hen hadden getwijfeld aan Clays kansen om de gevreesde Liston te verslaan. Ali riep hen toe "Ik ben de beste" en "Ik heb de wereld versteld doen staan".

Cassius Marcellus Clay wordt Muhammad Ali

Behalve als de nieuwe wereldkampioen zwaargewicht, werd Ali om andere redenen bekend. Hij onthulde lid te zijn van de Nation of Islam (waaraan destijds gerefereerd werd als Black Muslims) en Malcolm X doopte Cassius Clay om in Cassius X, waarmee hij diens achternaam, als symbool van het slavernijverleden van zijn voorouders, verwierp. Malcolm X en andere leden van de Nation of Islam waren Ali hierin voorgegaan. Op 6 maart 1964 maakte Malcolm X bekend dat aan Clay zijn "X" zou worden toegekend. Elijah Muhammad, de toenmalig leider van de Nation of Islam, nam diezelfde avond een telefonische verklaring op, die de radio zou worden uitgezonden, waarin hij bekendmaakte dat Clay voortaan als Muhammad (de profeet van de islam) Ali (de vierde kalief) door het leven zou gaan. In het Nederlands wordt deze naam veelal als "Mohammed Ali" weergegeven. Slechts enkele journalisten (Howard Cosell als meest vooraanstaande) accepteerden dit destijds. Zijn nieuwe naam stond symbool voor zijn nieuwe identiteit als lid van de Nation of Islam.

Ali tegen Liston: de rematch

Gezien het vreemde einde van hun eerste gevecht kondigden de boksautoriteiten een tweede gevecht aan, maar nu met Ali als titelverdediger en Liston als uitdager. De wedstrijd zou in november 1964 plaatsvinden, maar Ali moest een spoedoperatie aan een hernia ondergaan. Het gevecht werd uitgesteld en zou in Boston plaatshebben. De promotors hadden echter geen vergunning voor de staat Massachusetts en het gevecht zou in een kleine zaal in Lewiston, Maine plaatsvinden en wel op 25 mei 1965. Door de verplaatsing van het gevecht van Boston naar het meer dan 200 km verderop gelegen Lewiston, woonden slechts 2434 fans het spektakel bij, een laagterecord qua aantal toeschouwers bij een wereldtitelgevecht.
Het gevecht zou een van de meest controversiële in de geschiedenis worden. Halverwege de eerste ronde ging Liston naar het canvas, na wat velen als een niet-legitieme knock-down aanmerkten. Scheidsrechter Joe Jersey Walcott, zelf een voormalig kampioen in het zwaargewicht, raakte in verwarring nadat hij Ali naar zijn hoek commandeerde en deze de instructie negeerde en zich over Liston boog en deze toeschreeuwde om op te staan en hierna zijn handen in de lucht stak om de knock-down te vieren. Walcott stond zichzelf een twintigtal seconden bedenktijd toe. Nat Fleischer, publicist van het blad Ring Magazine, verwittigde Walcott dat Liston al twintig seconden op het canvas lag en Walcott beëindigde het gevecht en kende Ali een overwinning door een knock-out in de eerste ronde toe.
De tweede Ali-Liston partij werd bekend als de "the phantom punch fight" (het fantoomslag-gevecht). De meeste aan de ring gezeten toeschouwers hadden de klap waarmee Ali Liston knock-out sloeg niet gezien. Boze tongen beweren zelfs dat Liston tegen zichzelf gewed had, omdat hij de maffia geld schuldig zou zijn; daarom, althans volgens degenen die deze theorie aanhangen, ging Liston opzettelijk neer. Op herhalingen in slow-motion is goed te zien dat Ali Liston vlak voor deze naar de grond ging raakte met een rechtse stoot, die des te harder aankwam doordat Liston inkwam op Ali. De herhaling laat ook zien dat Liston nadat hij opstond op zijn benen wankelde en een afwezige indruk maakte.
Hoewel Ali door vele fans en experts beschouwd wordt als de beste (zwaargewicht) bokser aller tijden zijn er velen die vraagtekens plaatsen bij het resultaat van de tweede tweekamp Ali-Liston. Schrijver Mark Kram schrijft in zijn boek Ghosts of Manilla, waarin hij Liston jaren na het gevecht interviewt, dat Liston opzettelijk neerging uit angst voor represailles van de Nation of Islam. Dit laatste mag om verschillende redenen als twijfelachtig worden aangemerkt. Zo was Kram een fervent tegenstander van Ali en hij schreef het boek niet in de laatste plaats om de hoge achting die iedereen had voor Ali te ondermijnen. Kram was ontvankelijk voor elke uitspraak of verklaring die zijn negatieve houding jegens Ali ondersteunde. Daarnaast claimde Liston nooit geraakt te zijn en Kram wist, of had moeten weten, dat deze bewering onjuist was, want wat er ook gezegd kan worden over de wedstrijd, Ali had Liston wel degelijk geraakt.

Vietnam onderbreekt Ali"s carrière
Toen Muhammad Ali zich op 18-jarige leeftijd liet registreren voor mogelijke oproeping door het Amerikaans leger werd hij ingedeeld in klasse 1-A. Twee jaar later, in 1964, werd Ali na testen ongeschikt bevonden voor militaire dienst en gedegradeerd naar Klasse 1-Y (enkel oproeping in geval van nationale noodtoestand). Uit de proeven was immers gebleken dat zijn schrijf- en spelvaardigheid ondermaats waren ten gevolge van dyslexie en dat hij "slechts" een IQ van 78 had. Begin 1966, toen de Amerikaanse strijdkrachten om nieuwe rekruten verlegen zaten en de keuringsvoorwaarden werden versoepeld, werd Ali opnieuw onder gebracht in klasse 1-A zodat hij voortaan wel kon worden opgeroepen voor indiensttreding. Hij weigerde in de Amerikaanse strijdkrachten in de Vietnamoorlog te dienen omdat zijn persoonlijke overtuigingen niet met het fenomeen oorlog rijmden. Ali zei dat "Oorlog tegen de Heilige leerstellingen van de Koran is. Ik probeer mijn dienstplicht niet te ontduiken. We worden geacht niet aan een oorlog deel te nemen, behalve wanneer hiertoe opgeroepen door Allah of de Heilige Profeet. We nemen geen deel aan een christelijke oorlog of welke oorlog van ongelovigen dan ook." Ali voelde zich niet aangesproken wanneer aan hem als Cassius Clay gerefereerd werd, hiermee volgde hij de instructies van zijn mentoren van de Nation of Islam op om geen gehoor te geven aan de slavennaam die door blanken aan zijn voorouders was gegeven. Dit leidde tot menige controverse. Ali mocht niet meer in de VS vechten en werd gedwongen voor het grootste deel van 1966 louter overzeese gevechten te accepteren.
Van zijn tweede partij tegen Liston in mei 1965 tot en met zijn laatste titelverdediging tegen Zora Folley in maart 1967 had Ali zijn titel negen keer verdedigd. Weinig andere zwaargewichtkampioenen verdedigden hun titel zo vaak in zo korte tijd.
Ali zou op 29 maart 1966 in Toronto tegen WBA-kampioen Ernie Terrell uitkomen, nadat deze zich had teruggetrokken won hij het gevecht tegen plaatsvervanger George Chuvalo na 15 ronden op een jurybeslissing. Hij ging naar Engeland en versloeg Henry Cooper en Brian London nadat beiden het gevecht als gevolg van verwondingen moesten staken. Ali"s volgende titelgevecht was tegen de Duitser Karl Mildenberger, de eerste Duitser sinds Max Schmeling die om de titel vocht. Ali stopte zijn tegenstander, na een van de zwaarste gevechten uit zijn carrière, in de twaalfde ronde af.
Ali keerde terug naar de VS en vocht in november tegen Cleveland "Big Cat" Williams in de Houston Astrodome. Anderhalf jaar voor het gevecht was Williams van korte afstand in zijn buik geschoten door een Texaans politieagent. Als gevolg hiervan miste Williams één nier, drie meter dunne darm en had hij een verschrompeld linkerbeen als gevolg van zenuwbeschadiging. Ali versloeg Williams in drie ronden.
Op 6 februari 1967 vocht Ali tegen Terrell in wat de boeken is ingegaan als een van de smerigste gevechten in de bokshistorie. Terrell had Ali boos gemaakt door hem Clay te noemen en de kampioen zwoer hem te straffen voor deze belediging. Tijdens het gevecht bleef Ali zijn tegenstander toeschreeuwen "Hoe luidt mijn naam, Oom Tom... hoe luidt mijn naam?" Terrell onderging een vijftien ronden durende afstraffing en verloor 13 van de 15 ronden volgens twee juryleden, maar Ali sloeg hem niet knock-out. Velen beweren dat Ali Terrell opzettelijk niet knock-out sloeg en er de voorkeur aan gaf Terrell verder af te straffen. Na het gevecht schreef Tex Maula dat het een prachtige boksdemonstratie was geweest en een barbaarse tentoonstelling van wreedheid.
Ali"s weigering van de dienstplicht en zijn lidmaatschap van de Nation of Islam maakten hem het middelpunt van vele discussies en maakten van de uitgesproken en populaire kampioen een van de meest herkenbare en controversiële figuren van een tijdperk. Ali verscheen aan de zijde van Elijah Muhammed op bijeenkomsten van de Nation of Islam en toonde zich trouw aan hem, terwijl het grootste deel van Amerika hem op dat moment met argusogen volgde. Velen reageerden hier verontwaardigd op. Ali voedde de verongelijkte reacties door zich openlijk uit te spreken voor separatisme.
Op 20 juni 1967 werd Ali na een beraadslaging van slechts 21 minuten door de (uitsluitend blanke) jury van de federale rechtbank van Houston schuldig bevonden aan het weigeren van de dienstplicht. Hij wordt door rechter Joe Ingraham veroordeeld tot de maximale gevangenisstraf van vijf jaar en een geldboete van tienduizend dollar. Eerder, op 28 april 1967, had de Atletiek Commissie van de staat New York hem ook al zijn bokslicentie voor drie jaar en zijn kampioenstitel ontnomen. Door het aantekenen van een hoger beroep en het betalen van een borgsom blijft Ali wel op vrije voeten. Tijdens de jaren van zijn schorsing manifesteerde Ali zich steeds meer als een politiek activist die op campussen van colleges en universiteiten vurige pleidooien houdt voor de emancipatie van de Afro-Amerikanen (Civil Rights Movement) en voor de stopzetting van de Vietnamoorlog. In die periode werd hij financieel ondersteund door Joe Frazier, die er in die periode tevens bij Amerikaanse president Nixon op aan drong de straf tegen Ali op te heffen.

De comeback

Hoewel de beroepsprocedure nog steeds hangende was, kreeg Ali dankzij de steun van senator Leroy R. Johnson op 11 augustus 1970 van de Atletiek Commissie van de stad Atlanta, toch reeds een licentie om in Georgia, de enige staat zonder bokscommissie, te vechten. Op 26 oktober 1970 stopte hij Jerry Quary af, die het gevecht als gevolg van een snee na drie ronden moest staken.
Op 11 september 1970 besloot het New Yorkse Hooggerechtshof dat de Bokscommissie van de staat New York Ali onrechtmatig een bokslicentie had afgenomen. Nu Ali weer in staat was in New York te vechten kampte hij op 7 december 1970 in de Madison Square Garden tegen Oscar Bonavena. Na veertien zware ronden stopte Ali Bonavena na een technisch knock-out in de vijftiende ronde af, waarmee de weg naar een titelgevecht tegen Joe Frazier open lag.
Op 28 juni 1971 besliste het Amerikaanse Hooggerechtshof in de zaak Clay versus United States unaniem om de eerdere veroordeling in beroep terug te wijzen wegens het ontbreken van een motivering bij de afwijzing van Ali"s dienstweigering als gewetensbezwaarde. Ali mocht nu opnieuw in alle staten van de VS boksen.

The Fight of the Century: Frazier tegen Ali

Op 8 maart 1971 vochten Frazier en Ali tegen elkaar in wat de boeken inging als The Fight of the Century. Beide boksers waren op dat moment ongeslagen. De kampioen, Joe Frazier, had 23 van zijn 26 gevechten op knock-out gewonnen; de uitdager, Ali, had 26 van zijn 31 gevechten op knock-out gewonnen. Het gevecht vond plaats in Madison Square Garden in New York.
Het eerste gevecht tussen Frazier en Ali kon rekenen op enorme media-aandacht. Beide vechters waren onderwerp van discussie in tal van bladen en tv-programma"s. De boksers was elk 2,5 miljoen dollar toegezegd, toen een record voor een enkele wedstrijd.
Het gevecht werd symbolisch in de VS. Ali, publiek tegenstander van de Vietnamoorlog, was het symbool van iemand die tegen de gevestigde orde schopte. Frazier (die in zijn autobiografie zei dat hoewel hij door zijn vaderschap niet in de oorlog vocht hij wanneer hij gerekruteerd zou zijn, geen probleem zou hebben met het dienen van zijn vaderland, omdat hij hier veel aan te danken had) werd het symbool van conservatief Amerika.
Veel boksfans waren van mening dat Ali"s snelheid en vaardigheid Frazier kansloos zouden laten, terwijl anderen dachten dat Fraziers stootkracht en Ali"s lange afwezigheid de doorslag zouden geven. Op de avond van het gevecht braken er rellen uit in veel Amerikaanse steden, waaronder Chicago, waar een bioscoop bijna compleet werd afgebroken toen bezoekers erachter kwamen dat ze de wedstrijd niet op de publieke zender konden bekijken.
Op de avond van het gevecht hing er een theatrale sfeer in Madison Square Garden, met horden politiemannen die de toeschouwers in bedwang moesten houden, buitensporig uitgedoste fans en talloze beroemdheden: van Norman Mailer en Woody Allen tot Frank Sinatra, die voor Life foto"s van het gevecht nam. Kunstenaar Leroy Neiman portretteerde de beide kemphanen tijdens hun gevecht. De legendarische ring announcer Don Dunphey en acteur en boksliefhebber Burt Lancaster deden verslag voor de miljoenen die het gevecht op tv bekeken.
Ali domineerde de eerste drie ronden en trakteerde de kleinere Frazier op een aantal vinnige directe stoten, die het gezicht van de kampioen deden opzwellen. In de vierde ronde nam Frazier het heft in handen. Met zijn befaamde linkerhoek tartte hij Ali en zette hem vast tegen de touwen om hem zwaar op het lichaam te treffen. Het gevecht ging tot in de elfde ronde gelijk op, Frazier had Ali in een hoek gedrongen en raakte hem met een verpletterende linkerhoek die Ali bijna vloerde en hem in de touwen liet hangen. Ali overleefde de ronde, maar vanaf dat moment leek Frazier de overhand te hebben. Ali probeerde zich de volgende drie ronden terug te vechten, maar Frazier stond overduidelijk voor op punten. Vroeg in de vijftiende ronde plantte Frazier een spectaculaire linkerhoek in het gezicht van Ali die de uitdager deed neergaan. Het was slechts de derde keer dat Ali neerging in een gevecht. Ali, wiens rechterkaak groteske vormen had aangenomen, was snel ter been maar zwaar aangeslagen. Ondanks enkele rake treffers van Frazier overleefde Ali de ronde. Na een paar minuten volgde de unanieme jurybeslissing: Frazier behield zijn wereldtitel. Het was Ali"s eerste verlies in een profwedstrijd.
Ali leek gedurende het gevecht wat roestig. Vanaf ronde zes oogde hij moe en hoewel hij nog enkele combinaties maakte, kon hij onmogelijk het tempo van de eerste drie ronden volhouden.
In 1973 moest Ali een aantal keren de ring in tegen andere zwaargewichtboksers om een nieuw gevecht met Frazier af te dwingen. Een van de gevechten was in Jakarta tegen Rudie Lubbers; de Nederlander verloor op punten. In dezelfde reeks trof Ali tweemaal Ken Norton. Een van deze partijen verloor Ali en hij brak hierbij zijn kaak, het tweede gevecht werd door Ali gewonnen. Zijn volgende gevecht was tegen Frazier, die intussen zijn titel had verloren aan George Foreman.

Frazier-Ali deel II
Ook voor hun tweede gevecht troffen Ali en Frazier elkaar in Madison Square Garden en wel op 28 januari 1974. Hoewel er nu geen titel op het spel stond, was het gevecht belangrijk omdat de uitslag zou bepalen wie wereldkampioen George Foreman mocht uitdagen. Bovendien was Ali na zijn verlies tegen Frazier gebrand op revanche.
Voordat Frazier en Ali op herhaling gingen, deden ze de studio"s van ABC aan, om voor het programma Wide World of Sports hun visie op het eerste gevecht te geven. Terwijl beide vechters terugblikten op de elfde ronde, begon Ali zijn gal over Frazier te spuwen over hun beider ziekenhuisverblijven (volgens Ali was hijzelf tien minuten in het ziekenhuis geweest na het gevecht en Frazier een maand). Frazier pikte dit niet en de twee raakten verwikkeld in een handgemeen, wat resulteerde in boetes voor beide vechters. De toon voor een tweede confrontatie was gezet.
Nadat Ali Frazier met een uppercut flink had geraakt, verviel Ali in een patroon van directe stoten, terwijl hij wijselijk op afstand van de hardstotende Frazier bleef. Deze tactiek zou blijken te werken. Na twaalf ronden werd Ali tot winnaar van het gevecht uitgeroepen na een unanieme jurybeslissing. In hun onderlinge strijd stond het nu gelijk, Frazier en Ali zouden elkaar voor een derde maal treffen, maar niet voor Ali zijn titel terugwon van de op dat moment heersend wereldkampioen George Foreman.

The Rumble in the Jungle: Ali tegen Forema

Op 30 oktober 1974 stond het als The Rumble in de Jungle gehypete gevecht tussen titelverdediger Foreman en uitdager Ali op het programma. Het gevecht zou plaatshebben voor een uitzinnige menigte in Kinshasa, de hoofdstad van Zaïre (het latere Congo). Ali was voornemens om na Floyd Patterson de tweede vechter te worden die zijn wereldtitel in het zwaargewicht heroverde.
Het gevecht was het eerste door Don King gearrangeerde en gepromote gevecht. King kreeg het voor elkaar Ali en Foreman elk een contract te laten tekenen, waarin hij hen 5 miljoen dollar aan prijzengeld beloofde als ze voor hem zouden vechten. King had het geld echter niet en ging op zoek naar een land buiten de Verenigde Staten, dat bereid was het gevecht te sponsoren. De omstreden president van Zaïre, Mobutu Sese Seko, bood zijn land aan als toneel voor het gevecht en verheugde zich op de aandacht die een dergelijk evenement op hem en zijn land zou vestigen.
Foreman en Ali brachten beiden een groot deel van de zomer trainend in Zaïre door, om aan het tropische klimaat te kunnen wennen. Het gevecht zou oorspronkelijk in september plaatsvinden, maar als gevolg van een blessure die Foreman opliep tijdens zijn training, werd een nieuwe datum geprikt in oktober. Foreman ging het gevecht in als de favoriet, de bookmakers noteerden 8-1.
Er waren tal van Hollywoodsterren aanwezig en enkele voormalig wereldkampioenen, waaronder Norton en Frazier. Bob Sheridan becommentarieerde het gevecht en David Frost interviewde de toeschouwers Frazier en Jim Brown, een voormalig Amerikaans American Footballspeler.
Ali zette de eerste ronde een aanval op Foreman in en ging het gevecht aan. Dit was opmerkelijk, Ali moest het met name van zijn snelheid en vaardigheid hebben en Foreman van zijn brute stootkracht. Een gevecht zoals Ali dat aanging zou normaliter in het voordeel van Foreman uitpakken, die tot dan toe 37 van zijn 40 gewonnen gevechten op knock-out had beslist. Waar een rechterstoot, althans in het geval van een rechtshandige bokser, doorgaans wordt ingeleid met een linkerstoot (de zogenaamde links-rechtscombinatie), "pestte" Ali Foreman met de hem zo typerende niet ingeleide rechtse stoten. Hoewel Ali"s offensieve strategie Foreman aanvankelijk verraste en Ali de kans zag Foreman een paar keer aanzienlijk te treffen, kwam Foreman redelijk ongeschonden de eerste ronde door en wist hij Ali zelfs een paar keer goed te raken. Ali wijzigde zijn strijdplan.
Ali had zijn trainer Dundee en zijn fans verwittigd een verrassing in petto te hebben voor Foreman. Vrijwel direct in de tweede ronde ging Ali in de touwen hangen en stond het Foreman toe hem te raken, zonder dat hij zelf ook maar een poging ondernam om Foreman te raken, een strategie die Ali later rope-a-dope zou noemen.
In de warme omgeving legde Foreman al zijn energie in zijn stoten, die door Ali werden ontweken of op diens verdediging landden. Ali sputterde weinig tegen en plaatste af en toe een directe stoot op het hoofd van Foreman, wiens gezicht al snel begon op te zetten. Als de twee vechters in een clinch verwikkeld waren, leunde Ali op Foreman of duwde hij Foremans hoofd naar beneden door op diens nek te leunen, iets dat desoriënterend op de tegenstander kan werken en het effect van stoten kan vergroten omdat het hoofd verder naar achter knikt wanneer het in die positie geraakt wordt. Ali tartte Foreman voortdurend in de clinch door hem te vragen vaker en harder te slaan, iets waar Foreman gewillig gehoor aan gaf.
Na een aantal ronden begonnen Foremans inspanningen hun tol te eisen en raakte hij vermoeid. Hoe erger zijn gezicht zwol, hoe meer zijn conditie het liet afweten. De bedoeling van Ali"s strategie werd meer en meer zichtbaar toen Ali aan het begin van de vierde ronde een serie combinaties op Foreman losliet en dit tegen het einde van de vijfde ronde herhaalde, nadat Foreman het grootste gedeelte van deze ronde had gedomineerd. Hoewel Foreman stoten bleef uitdelen en naar voren bleef komen was hij vanaf de vijfde ronde vermoeid en leek hij meer en meer uitgeput te raken. Ali bleef Foreman onderwijl tarten met uitdagende uitspraken.
In de achtste ronde plaatste Ali een beslissende serie stoten. Een linkerhoek bracht Foremans hoofd in een positie waardoor Ali hem met een keiharde rechtse directe kon raken. Foreman wankelde, tolde door de ring alvorens hij op zijn rug neerviel. Foreman stond nog op, maar niet binnen de tien seconden. Foreman claimde later dat hij te laat overeind kwam, omdat hij vanuit zijn hoek te laat het signaal gekregen had wanneer hij op moest staan. Foreman beweerde later ook nog dat de trainers van Ali de ringtouwen losser hadden gemaakt, ten faveure van Ali"s tactiek. Later bood hij zijn verontschuldigingen aan voor dit verwijt. Foreman toonde zich een slecht verliezer. In de jaren die volgden zou hij tal van uitvluchten zoeken om zijn verlies te verklaren. De aantijging dat hij door zijn eigen mensen gedrogeerd zou zijn behoort tot de bizarste. Desalniettemin raakten Ali en Foreman bevriend na het gevecht. Vele jaren later zou een door Parkinson verzwakte Ali door Foreman naar het podium geholpen worden, toen deze een Oscar in ontvangst mocht nemen[bron?] voor de film When We Were Kings, een documentaire over hun legendarisch gevecht in Zaïre.

The Thrilla in Manila: Ali tegen Frazier

Bokspromotor Don King, die de gevechten organiseerde
Een inmiddels tot het soennisme bekeerde Ali zou het voor een derde maal tegen Frazier opnemen. In tegenstelling tot hun tweede gevecht zou dit keer wel een titel op het spel staan en de rollen waren omgekeerd: Ali als wereldkampioen, Frazier als de uitdager. Het gevecht was zo mogelijk nog hoger geprofileerd dan hun eerste Fight of the Century; Ali was nog beroemder geworden en Frazier had niets aan faam ingeboet. De spanning die naar het gevecht toe werd opgebouwd werd gevoed door Ali, die als vanouds rijmpjes en woordspelingen op Frazier losliet. Veel boksfans refereren aan dit gevecht als het mooiste aller tijden. Ali en Frazier leken zowel binnen als buiten de ring oprecht een hekel aan elkaar te hebben en ze hadden reeds twee keer tegenover elkaar gestaan.
Don King arrangeerde ook dit gevecht, dat net als The Rumble in the Jungle in een exotisch oord zou plaatsvinden en met The Thrilla in Manila een al even exotische naam kreeg. Dit gevecht zou in Quezon City, een stad in Metro Manilla op de Filipijnen plaatshebben, nadat een tijdje Caïro als mogelijke locatie was geopperd. Het gevecht stond gepland op 1 oktober 1975. De uitzending van de Amerikaanse zender Home Box Office (HBO) over het gevecht werd door miljoenen bekeken.[bron?] Ali had niet zo hard getraind als hij normaal deed voor een titelgevecht, omdat hij een Frazier op zijn retour in de ring dacht aan te treffen.
Voor de bel voor de eerste ronde klonk, had Ali tegen zijn trainers gezegd Frazier er flink van langs te geven. Ali liep naar het midden van de ring waar hij Frazier trof en vuurde een salvo van stoten en combinaties op Frazier af, iets dat hij gedurende de komende ronden zou volhouden. In de zesde ronde vocht Frazier zich terug en raakte Ali met enkele hoeken naar het hoofd die hem zelfs even deden wankelen. In het begin van de zevende ronde fluisterde Ali, naar wat men zegt, in Fraziers oor: "Waarom oude Joe Frazier? Ze vertelden me dat het gedaan was met je." Waarop Frazier reageerde met: "Je bent verkeerd ingelicht, knappe jongen." Vanaf dat moment domineerde Frazier het gevecht. Ali probeerde zijn beproefde rope-a-dope tactiek uit, maar deze haalde weinig uit tegen de kracht van Frazier. Uiteindelijk deed Ali in de tiende ronde het tij weer keren. Enkele snelle combinaties misvormden het gezicht van Frazier danig voor het einde van de ronde. Diens ogen waren dermate gezwollen dat er niet veel meer dan twee spleetjes van over waren. In de dertiende ronde vuurde Ali alweer een salvo combinaties op Frazier af en sloeg diens gebitsbeschermer uit zijn mond het publiek in. Fraziers trainer, Eddie Futch, wilde op dit punt een einde aan het gevecht maken. Frazier vertikte dit echter en vroeg zijn coach hem nog een ronde de kans te geven zich terug te vechten. In ronde veertien van het gevecht was Frazier praktisch blind en werd door Ali getrakteerd op enkele zware stoten.
Na veertien brute ronden en gezien Fraziers toestand kon zijn trainer niet roerloos toekijken. Futch vertelde Frazier in de hoek dat hij een einde aan het gevecht ging maken, Frazier sputterde tegen en Futch verzekerde Frazier dat zijn prestatie die dag niet vergeten zou worden en beëindigde het gevecht. Frazier: "Man, I hit him with punches that"d bring down the walls of a city".
Ali werd tot winnaar uitgeroepen en viel enkele ogenblikken later flauw. Hij claimde dat hij de dood in de ogen had gekeken: "It was like death, the closest thing to dying that I know of." Ali betoonde zijn respect aan Frazier, waarmee een einde kwam aan de Ali-Fraziertrilogie. Geen van de twee boksers zou ooit nog de oude worden. Frazier vocht nog tweemaal alvorens er de brui aan te geven en een minder wordende Ali zou nog veel moeite hebben met enkele van zijn opponenten en enkele controversiële overwinningen boeken.
In 1976 sloeg Ali twee relatief onbekende tegenstanders knock-out, de Belg Jean-Pierre Coopman, op dat moment een van de beste tien zwaargewichtboksers van Europa, en de Engelse bokser Richard Dunn. Op 30 april 1976 stond Ali tegenover Jimmi Young in Landover, Maryland. Een veel te zware Ali moest overduidelijk het onderspit delven. De door Don King geselecteerde juryleden wezen echter Ali als winnaar aan, wat de boeken inging als een van de meest controversiële beslissingen in de bokshistorie. In september stond Ali voor de derde keer tegenover Ken Norton, in het Yankee Stadium. Hoewel betwist door velen die de wedstrijd zagen, won Ali unaniem op punten.
In 1977 verwittigde Ali"s ringarts, Ferdie Pacheco, Ali"s aanhang van het feit dat deze zichzelf schade berokkende en dat hij niet verantwoordelijk gehouden wilde worden. Pacheco had Ali geadviseerd met pensioen te gaan toen hij zag dat Ali"s reflexen het lieten afweten.
Ali zou tot februari 1978 zijn titel behouden om hem aan de olympisch kampioen van 1976, Leon Spinks, te verliezen. Ali had de twijfelachtige eer om de eerste zwaargewichtkampioen te worden die zijn titel verloor aan iemand met slechts zeven profpartijen achter zijn naam. Spinks en Ali zouden nog een keer tegenover elkaar staan in het Superdome van New Orleans. Ali kreeg de titel na vijftien ronden toebedeeld en op 27 juni 1979 stopte hij met boksen waarmee de zwaargewichttitel vacant werd.

Zijn tweede comeback

Ali"s pensioen was van korte duur. Op 2 oktober 1980 daagde hij WBC-wereldkampioen Larry Holmes uit met als doel de eerste bokser te worden die de zwaargewichttitel vier keer wist te winnen. Ali verloor op technisch knock-out in de elfde ronde, nadat zijn trainer Dundee hem verbood verder te vechten. Het gevecht tegen Holmes, gepromoot als The Last Hurrah, werd door veel fans en experts met minachting gadegeslagen, omdat zij tijdens de wedstrijd een afgetakelde Ali te zien kregen. Holmes was Ali"s sparringpartner en velen zagen het gevecht als het spreekwoordelijke doorgeven van de stok. Holmes zou later bekennen dat, hoewel hij het gevecht domineerde, hij uit respect voor zijn idool en voormalig werkgever ietwat terughoudend gevochten had. Na het gevecht werd bekendgemaakt dat Ali in de Mayo Kliniek onderzocht was en dat de resultaten van het onderzoek choquerend waren. Hij had toegegeven dat zijn vingers tintelden en dat het spreken hem moeilijker afging. King had al deze informatie achtergehouden, zodat het gevecht tegen Holmes doorgang kon hebben.
Ondanks alles zou Ali nog een keer in de ring aantreden. Op 11 december 1981 zou Ali tegenover de opkomende ster en toekomstig wereldkampioen Trevor Berbick staan, in wat bekend zou worden onder de naam The Drama in the Bahamas. Het gevecht kon op weinig media-aandacht rekenen en fans stonden ook niet om het gevecht te springen. Het gevecht vond met weinig publiciteit in Nassau plaats. Hoewel Ali marginaal beter presteerde dan in zijn partij tegen Holmes veertien maanden eerder, verloor hij in de tien ronden durende partij unaniem op punten van zijn twaalf jaar jongere tegenstander.
Na dit verlies ging Ali definitief met pensioen in 1981.

Olympisch kampioen halfzwaargewichten: 1960
Wereldkampioen zwaargewichten WBA (2048 dagen): 1967-1968 (1x verdedigd), 1974-1978 (10x verdedigd), 1978-1979 (0x verdedigd)
Wereldkampioen zwaargewichten WBC (3045 dagen): 1964-1969 (9x verdedigd), 1974-1978 (10x verdedigd)

Pensioen en nalatenschap

Ali heeft nagenoeg elke grote naam verslagen in een tijdperk dat te boek staat als het Gouden Tijdperk van het zwaargewichtboksen. Ali werd door het bokstijdschrift Ring Magazine vaker dan welke andere vechter dan ook tot "Bokser van het Jaar" gekroond en vocht in meer Ring Magazine "Wedstrijd van het Jaar"-gevechten dan enig andere vechter. Hij is opgenomen in de International Boxing Hall of Fame. Hij is tevens een van slechts drie boksers die in 1984 door Sports Illustrated tot Sportman van het Jaar werden gekozen. Hij wordt beschouwd als een van de beste pound-for-pound boksers aller tijden. Hij was een meester in het zichzelf verkopen en zijn psychologische spelletjes voor, tijdens en na wedstrijden waren hoogst effectief.


In 1978, drie jaar voordat Ali met pensioen ging, werd in zijn thuishaven Louisville de Walnut Street naar hem hernoemd, die voortaan als "Muhammed Ali Boulevard" door het leven zou gaan. Het naambord zou nog vaak gestolen worden. Het idee om de Central High School naar Ali te vernoemen werd door een comité van de Jefferson County Public Schools afgewezen.
Ali leed aan de Ziekte van Parkinson. De ziekte werd in 1984 geconstateerd en Ali"s motorische functies begonnen langzaam af te takelen. Hoewel dokters het in de jaren 80 en 90 er niet over eens waren of de ziekte een gevolg was van zijn bokscarrière, of dat er sprake was van een degeneratieve ziekte, werd hij uiteindelijk gediagnosticeerd met een vorm van Parkinson die ook wel boksersdementie genoemd wordt. Medio 2005 werd bekendgemaakt dat Ali"s toestand snel achteruit ging. In de documentaire When We Were Kings, toen Ali in een interview gevraagd werd of hij naar aanleiding van zijn medische toestand spijt had van zijn boksverleden, antwoordde hij dat wanneer hij niet gebokst had, hij nog steeds schilder in Louisville, Kentucky geweest zou zijn.
Ondanks zijn handicap was Ali een geliefd en actief publiek figuur. Onlangs werd hij in de "Forbes Celebrity 100" gekozen. In 1985 was hij gastscheidsrechter bij het eerste WrestleMania-evenement. In 1987 werd hij door de California Bicentennial Foundation for the US Constitution, gekozen om de Amerikaanse grondwet en de Bill of Rights te personificeren gedurende enkele vooraanstaande evenementen. Ali voer op een vlot tijdens de Tournament of Roses Parade, die de herdenking van de 200e verjaardag van de Amerikaanse grondwet inluidde. Ali publiceerde een mondelinge overlevering, Muhammad Ali: His Life and Times with Thomas Hauser, in 1991. Hij ontving de "Spirit of America Award", als de (h)erkenbaarste Amerikaan ter wereld. In 1996 had hij de eer de laatste drager van het olympische vuur te zijn tijdens de Olympische Spelen van Atlanta 1996. Hij verscheen tijdens de AFL Grand Final, de finale van het Australian Football seizoen. Ook begroet hij jaarlijks bij de Los Angeles Marathon lopers aan de finish. In 1999 ontving hij een speciale eenmalige prijs van de BBC. Tijdens hun jaarlijkse "BBC Sports personality of the Year"-ceremonie kreeg hij de "BBC Sports personality of the Century Award" uitgereikt, een prijs voor sportpersoonlijkheid van de eeuw.
Zijn dochter Laila Ali bokst sinds 1999, ondanks dat haar vader zich eerder tegen vrouwenboksen had uitgesproken in 1978: "vrouwen zijn niet gemaakt voor zulke stoten tegen de borst en in het gezicht..., hun lichaam is niet gemaakt voor stoten hier [tikkend op zijn borst]. Hard geraakt worden op de borst... hard... en meer van dat."
Op 13 september 1999 benoemde de Kentucky Hall of Fame hem tot "Kentucky Athlete of the Century" tijdens een ceremonie in het Galt House.
In 2001 werd Ali in de biografische film Ali neergezet door acteur Will Smith. De film kreeg wisselende kritieken; de positieve commentaren hadden vooral betrekking op de acteerprestaties van Smith en Jon Voight, die hen Oscarnominaties opleverden. Voor de film gemaakt werd, had Will Smith meermalen de rol van Ali geweigerd, tot deze hem zelf voor de rol vroeg. Volgens Smith had Ali tegen hem gegrapt dat hij niet knap genoeg was om hem te spelen.
Op 9 november 2005 ontving Ali tijdens een ceremonie op het Witte Huis de "Presidential Medal of Freedom", een van de hoogste burgeronderscheidingen in de VS, die hij van George W. Bush ontving. In Berlijn ontving hij op 17 december 2005 de prestigieuze "Otto-Hahn-Friedensmedaille in Gold" van het Deutsche Gesellschaft für die Vereinte Nationen (DGVN), voor zijn inzet voor de Afro-Amerikaanse burgerrechtenbeweging en de Verenigde Naties.
Op 19 november 2005 opende in Louisville, Kentucky, het Muhammed Ali Center, een non-profitinstelling die zich richt op kernthema"s zoals vrede, maatschappelijke verantwoordelijkheid, respect en persoonlijke ontwikkeling. Op de website van het Muhammed Ali Center staat het volgende: "Sinds hij met boksen gestopt is, heeft Ali zich wereldwijd ingespannen voor de humanitaire zaak. Als toegewijd soennitisch moslim reist hij de hele wereld over en leent hij zijn naam aan tal van projecten die armoede en honger bestrijden, onderwijs ondersteunen, adoptie promoten en mensen aanmoedigen elkaar te respecteren en elkaar beter te begrijpen. Er wordt geschat dat mede dankzij zijn hulp 22 miljoen maaltijden hun weg naar de mond van hongerigen hebben gevonden. Ali reist gemiddeld 200 dagen per jaar."
Tijdens de FedEx Orange Bowl op 2 januari 2007 was Ali ereaanvoerder van de Louisville Cardinals en droeg hij hun wedstrijdtenue met nummer 19. Ali werd vergezeld door golflegende Arnold Palmer, ereaanvoerder van de Wake Forest Demon Deacons en Miami Heat-sterspeler Dwyane Wade (die zijn verjaardag op dezelfde dag als Ali viert).

Ziekte en dood

In juni 2016 werd hij in het ziekenhuis van Scottsdale opgenomen met ademhalingsproblemen. Een dag later stierf hij op 74-jarige leeftijd aan de gevolgen van de ziekte van Parkinson.Hij is op 10 juni begraven in zijn geboorteplaats Louisville. (Cave Hill Cemetery)

Persoonlijk leven

Ali trouwde vier keer en hield aan deze huwelijken twee zoons (waarvan één geadopteerd) en zeven dochters over, onder wie de eveneens boksende Laila Ali. Ali kreeg ook twee buitenechtelijke kinderen. Ali trouwde in 1986 in Berrien Springs met zijn vierde vrouw, Yolanda "Lonnie" Ali.

In 1964 bracht Ali, toen nog onder de naam Cassius Clay, een lied uit, Stand by Me.
Ali heeft ook een aantal gedichten geschreven, die hij heeft voorgelezen in The Jerry Lewis Show, een show die gepresenteerd werd door Jerry Lewis.
In de zomer van 1979 verbleef Muhammed Ali, op uitnodiging van sponsor Fiat, drie dagen in België om enkele exhibitiekampen te boksen. Zo speelde hij op 31 mei in het Gentse Sportpaleis voor een enthousiaste menigte tegen zijn vriend en sparringpartner Jimmy Ellis en op 1 juni in de Luikse Country Hall tegen toenmalig Belgisch kampioen Albert Syben. Tijdens zijn verblijf gaf hij, vergezeld van zijn eega Veronica Porsche, ook enkele lucratieve actes de présences in o.a. Antwerpen en Brussel. Hij werd daarbij telkens hartelijk verwelkomd door de vip"s van die tijd zoals wielerlegende Eddy Merckx en de spelers van kersvers landskampioen voetbal SK Beveren met doelman Jean-Marie Pfaff.

2018-12-17 20:59:07

Albert Einstein

(Ulm, 14 maart 1879 – Princeton (New Jersey), 18 april 1955) was een Duits-Zwitsers-Amerikaanse theoretisch natuurkundige van Joodse afkomst. Hij wordt algemeen gezien als een van de belangrijkste natuurkundigen uit de geschiedenis, naast Isaac Newton en James Clerk Maxwell. Zelf noemde hij altijd Newton als een veel belangrijker natuurkundige dan hijzelf omdat Newton, anders dan Einstein, behalve theoretische ook grote experimentele ontdekkingen deed. In het dagelijks leven is de naam Einstein synoniem geworden met grote intelligentie.

Einstein werd vooral bekend vanwege de twee relativiteitstheorieën: de speciale relativiteitstheorie van 1905 en de algemene relativiteitstheorie van 1915 en volgende jaren, die de speciale relativiteitstheorie uitbreidt door ook plaats in te ruimen voor de zwaartekracht. Hij publiceerde meer dan 300 wetenschappelijke en meer dan 150 niet-wetenschappelijke werken. In zijn latere jaren schreef Einstein uitvoerig over filosofische en politieke onderwerpen. Hij wordt vaak samen met Max Planck beschouwd als de vader van de moderne natuurkunde.
Hij droeg aanzienlijk bij aan andere deelgebieden van de natuurkunde: voor zijn verklaring van het foto-elektrisch effect ontving hij in 1921 de Nobelprijs voor de Natuurkunde en ook zijn beschrijving van de brownse beweging en de eerste fluctuatie-dissipatiestelling was een belangrijke doorbraak. Deze twee verklaringen en de speciale relativiteitstheorie publiceerde hij bovendien allemaal in zijn wonderjaar 1905. Verder werk omvat onder meer onderwerpen in de kwantummechanica, de theorie van de vaste stof, de nulpuntsenergie, de statistische mechanica, de kosmologie, de theorie van straling (fotonen, dualiteit van golven en deeltjes, kritische opalescentie en gestimuleerde emissie, de theorie achter de laser) en de veldentheorie. Een eenheid in de fotochemie draagt zijn naam, de einstein. Het chemisch element einsteinium is ook naar hem vernoemd, net als de Einsteinring in de astronomie en de Einsteincoëfficiënten in de optica.
Albert Einstein werd in een liberaal-Joodse familie in het Duitse Keizerrijk geboren, woonde later in Italië, Zwitserland en het toenmalige Oostenrijk-Hongarije voor hij terugkeerde naar Duitsland. Toen Adolf Hitler in 1933 in Duitsland aan de macht kwam, besloot Einstein zich in de VS te vestigen. In 1940 nam hij de Amerikaanse nationaliteit aan en deed afstand van zijn Duitse (hij behield wel de Zwitserse). Hij overleed op 18 april 1955 in Princeton aan een aneurysma.

Jeugd


Cijferlijst van Einsteins eindexamen middelbare school, 1896. De cijfers werden gegeven op een schaal van 1 tot 6, waarbij 6 het hoogste cijfer, en 4 een voldoende is. Einstein had vijf maal een "6" (=10): voor geschiedenis, natuurkunde en drie wiskundevakken.
Albert Einstein werd op 14 maart 1879 geboren te Ulm, destijds binnen het Duitse Keizerrijk gelegen in het Koninkrijk Württemberg. Hij was de zoon van Hermann Einstein (Buchau, 1847 - Milaan, 1902) en Pauline Koch (Cannstatt, 1858 - Berlijn, 1920). Hermann Einstein was onder meer beddenverkoper en later met zijn jongere broer Jakob (1850-1912) fabrikant van elektrotechnische apparatuur voor elektriciteitscentrales en straatverlichting (Elektrotechnische Fabrik J. Einstein & Cie.) te München. Hermann en Pauline Einstein-Koch kregen nog een kind, Alberts jongere zus Maja Einstein (München, 1881 - Princeton, 1951).
Einsteins ouders waren liberale joden en daarmee religieus tolerant. Einstein kreeg elementair onderricht in de joodse godsdienst en leerde viool spelen. In zijn latere leven speelde hij vaak viool ter ontspanning, terwijl hij wetenschappelijke problemen overdacht.[5] Rond 1884 kreeg Einstein zijn eerste kompas en was verbijsterd door het wonder van de onzichtbare magnetische kracht. Hij was de beste van zijn klas op de lagere school en zeer geïnteresseerd in exacte wetenschap. Als hobby bouwde hij modellen en mechanische apparaten. Vanaf 1891 leerde hij ook wiskunde.
In 1895 verhuisde het gezin van München naar Pavia in Italië, maar Einstein bleef aanvankelijk in München achter om zijn middelbare school af te maken. Na één trimester hield hij de eenzaamheid en de strenge school niet meer uit, waarop hij zich bij zijn familie in Pavia voegde. In 1895 deed Einstein, hoewel hij er eigenlijk twee jaar te jong voor was, met speciale toestemming toelatingsexamen voor de ETH, de Eidgenössische Technische Hochschule (de technische universiteit van Zürich). Hij presteerde goed in de bètavakken, maar zakte op Frans en Geschiedenis. Om de middelbare school af te ronden stuurden zijn ouders hem naar Aarau in Zwitserland. Daar kwam hij op het volgende gedachte-experiment, dat vooruitliep op zijn speciale relativiteitstheorie: een waarnemer die met de lichtsnelheid met een lichtgolf meerent, ziet een staande golf. In 1896 ontving Einstein zijn middelbareschooldiploma, waarna hij alsnog naar de Eidgenössische Technische Hochschule in Zürich ging. In hetzelfde jaar gaf Einstein zijn Duitse staatsburgerschap op om de dienstplicht te ontlopen, waardoor hij staatloos werd.
Aan de ETH trok Einstein op met zijn medestudenten Marcel Grossmann, Mileva Maric en Michele Besso. Hij mocht in het laboratorium zijn voorstel voor een proef over de beweging van de aarde in de ether niet uitvoeren maar kreeg een waarschuwing dat hij te weinig experimenteerde. Hij vond de colleges van professor Heinrich Weber ouderwets, omdat de Maxwelltheorie niet werd behandeld. Door zelfstudie maakte hij kennis met de werken van Kirchhoff, Hertz, Helmholtz, Lorentz en Boltzmann. Maxwelltheorie leerde hij kennen door een boek van August Föppl. Hij las ook over andere wetenschappen zoals biologie (Darwin) en filosofie. Hij waardeerde de wiskundecolleges van Hermann Minkowski maar was vaak afwezig.
In 1900 behaalde Einstein aan de Eidgenössische Technische Hochschule zijn lesbevoegdheid als Fachlehrer natuurkunde. Zijn cijfers waren een 5 voor theoretische- en experimentele natuurkunde en voor astronomie, 5,5 voor functietheorie en 4,5 voor een opstel over warmtegeleiding (op een schaal van maximaal 6). Hij verkreeg het Zwitsers staatsburgerschap in februari 1901.

Gezin en vroege loopbaan


Einstein met zijn vrienden Habicht (links) en Solovine (midden), 1903


Einstein op het Patentbureau in Bern, 1905
Aan de ETH in Zwitserland ontmoette Einstein Mileva Maric, een Servische jaargenote (die ook bevriend was met Nikola Tesla), en werd verliefd op haar. Einstein en Maric kregen in januari 1902 een dochter, Lieserl, die waarschijnlijk ter adoptie werd afgestaan. Einstein trouwde met Mileva Maric op 6 januari 1903. Het huwelijk was zowel een persoonlijke als een intellectuele samenwerking: bij haar vond Einstein een klankbord voor zijn nieuwe ideeën.
Toen hij afstudeerde kon Einstein geen werk in de wetenschap vinden. De ETH bood hem geen assistentschap aan en Einstein solliciteerde tevergeefs bij onder andere Heike Kamerlingh Onnes in Leiden en Wilhelm Ostwald in Leipzig. Vanaf mei 1901 werkte hij twee maanden als invalleraar natuurkunde aan een middelbare school in Winterthur en daarna kreeg hij een jaarcontract als leraar natuurkunde aan een particuliere school in Schaffhausen, waar hij veel tijd overhield voor onderzoek. In december 1901 solliciteerde hij bij het Zwitserse Patentbureau te Bern en werd aanbevolen door de vader van zijn studievriend Marcel Grossmann. Voor de nieuwe baan afkwam nam Einstein al ontslag als leraar en vestigde zich in februari 1902 in Bern. Daar vormde hij met zijn vrienden Maurice Solovine, aan wie hij bijles gaf, en Konrad Habicht de zogenaamde Akademia Olympia om samen boeken te bespreken, te eten en plezier te maken. Per 16 juni 1902 werd hij technisch expert derde klas bij het patentbureau. Daar beoordeelde hij ingediende patentaanvragen.
Op 14 mei 1904 werd zijn eerste zoon Hans Albert Einstein geboren. In datzelfde jaar werd Einsteins aanstelling bij het patentbureau vast. Hij verrichtte in deze periode veel onderzoek, dat er uiteindelijk toe leidde dat 1905 zijn wonderjaar werd. In 1906 werd Einstein bevorderd tot technisch expert tweede klasse. Einsteins tweede zoon, Eduard Einstein, werd geboren op 28 juli 1910.
Het gezin Einstein verhuisde in 1914 naar Berlijn, maar Mileva kon er niet wennen. Hun relatie verslechterde en Mileva verhuisde met de kinderen terug naar Zwitserland. Einstein scheidde van Mileva op 14 februari 1919, en huwde een half jaar later zijn nicht Elsa Löwenthal (geboren Einstein: Löwenthal was de achternaam van haar eerste man Max) op 2 juni 1919. Einstein, die de Nobelprijs voor de Natuurkunde van 1921 ontving, gaf het aan de prijs verbonden geldbedrag aan Mileva, zoals bij hun scheiding was afgesproken.[13] Later vond Mileva dat Einstein onvoldoende bijdroeg aan de kosten van de behandeling van hun zoon Eduard. Ze gaf privé piano- en wiskundeles om bij te verdienen.
Het lot van het eerste kind van Albert en Mileva, Lieserl, is onbekend: sommigen denken dat zij jong gestorven is, anderen geloven dat ze voor adoptie werd afgestaan. Eduard Einstein (koosnaam Tete) groeide voorspoedig op en bleek zeer intelligent. Hij toonde interesse in psychologie en ging na zijn middelbare school studeren in die richting. Tijdens de studie ontwikkelde Eduard schizofrenie en was al snel tot niets meer in staat. Albert Einstein had weinig contact met hem en zijn moeder Mileva zorgde voor Eduard tot haar eigen overlijden op 4 augustus 1948. Hij stierf in 1965 in de psychiatrische inrichting Burghölzli in Zürich. Hans Albert werd hoogleraar hydraulische werktuigbouwkunde aan de Universiteit van Californië - Berkeley, en had aanvankelijk eveneens weinig contact met zijn vader. Na de oorlog verbeterde dit. Hans-Albert zat aan het sterfbed van Albert Einstein.

Hoogleraar

In 1908 werd Einstein in Bern (Zwitserland) benoemd tot privaatdocent (onbezoldigd docent aan een universiteit). Drie jaar later werd Einstein eerst assistent-hoogleraar aan de Universiteit van Zürich, en kort daarna volledig hoogleraar aan de (Duitse) Universiteit van Praag. In 1912 keerde hij terug naar Zürich om daar volledig hoogleraar aan de ETH te worden. Op dat moment werkte hij nauw samen met de wiskundige Marcel Grossmann. In 1912 begon Einstein "tijd" als de vierde dimensie aan te duiden, zoals zijn vroegere hoogleraar Hermann Minkowski al eerder deed.
In 1914 werd Einstein lid van de Pruisische Academie van Wetenschappen in Berlijn. Het jaar daarop kreeg hij zijn Duitse nationaliteit terug, en was tot 1933, toen hij Duitsland verliet wegens de machtsovername door de nazi"s, directeur van het Keizer Wilhelm-Instituut voor Natuurkunde in Berlijn. In deze periode kreeg hij ook de Nobelprijs voor zijn verklaring van het foto-elektrisch effect. Pogingen van onder meer Hendrik Lorentz - die bij Einstein in hoog aanzien stond - om hem als gewoon hoogleraar aan een Nederlandse universiteit te verbinden, mislukten. Ten slotte werd hij wel bijzonder hoogleraar vanwege het Leids Universiteits Fonds aan de Rijksuniversiteit Leiden van 1920 tot officieel 1946: hij gaf enkele malen per jaar een gastcollege in Leiden. In 1921 ontving hij de Matteucci Medal, in 1925 de Copley Medal.
In 1922 maakte Einstein zijn eerste wereldreis. Met zijn tweede vrouw Elsa ging hij per schip naar Japan en deed ook Singapore, Hongkong en Sjanghai aan. Hij gaf daarnaast onder andere ook gastlessen aan de Universiteit van Oxford, waar Einsteins krijtbord nog bewaard is gebleven.

Vertrek naar de VS
Einstein vertrekt in december 1930 met zijn gezin van het station in Antwerpen op weg naar de VS waar hij een lezingencyclus gaat geven.
Einsteins pacifisme, socialistische sympathieën en joodse afkomst waren een doorn in het oog van de Duitse nationalisten en antisemieten. Nadat hij wereldberoemd was geworden groeide deze antisemitische haat tegen hem, en er ontstond zelfs een georganiseerde campagne onder Duitse natuurkundigen om zijn theorieën in diskrediet te brengen. Toen Adolf Hitler op 30 januari 1933 in Duitsland aan de macht kwam bereikte de haatcampagne tegen Einstein nieuwe hoogten. Einstein werd door het nazi-regime beschuldigd een "joodse natuurkunde" (in de zin van theoretische natuurkunde) voor te staan in tegenstelling tot de "Duitse" of "Arische natuurkunde" (Deutsche of Arische Physik, waaronder experimentele natuurkunde verstaan werd). Het regime werd daarbij ondersteund door nazi-gezinde natuurkundigen, waaronder zelfs Nobelprijswinnaars zoals Johannes Stark en Philipp Lenard, die probeerden Einsteins theorieën in diskrediet te brengen. Daartoe werd ook een zwarte lijst aangelegd van Duitse natuurkundigen die Einsteins theorieën bleven onderwijzen zoals Werner Heisenberg.
Einstein was toen in de Verenigde Staten, waar hij een lezingencyclus aan Caltech verzorgde. Hij besloot niet meer terug te keren naar zijn geboorteland, maar bracht nog wel een bezoek aan België en Engeland, waar hij tijd doorbracht aan de Universiteit van Oxford, voordat hij zich voorgoed in de VS vestigde. Hij gaf zijn Duitse staatsburgerschap op, kreeg een permanente verblijfsvergunning voor de VS en aanvaardde een betrekking aan het pas opgerichte Institute for Advanced Study in Princeton, New Jersey.[4] Hij werd Amerikaans staatsburger in 1940, hoewel hij steeds het Zwitserse staatsburgerschap behield.

Op 2 augustus 1939 schreef Einstein een brief aan de Amerikaanse president Roosevelt, waarin hij waarschuwde dat Duitsland bezig was een atoombom te ontwikkelen. In oktober 1941 besliste Roosevelt om in sterke mate ernaar te streven de atoombom eerder te maken dan de Duitsers, het Manhattanproject, waaraan Einstein overigens zelf niet meewerkte. Over deze brief bestaan verschillende lezingen. Er is wel verondersteld dat niet Einstein maar Szilárd deze brief had geschreven. Szilárd zou vanwege het effect op de president Einstein om ondertekening gevraagd hebben. Maar volgens biograaf Bram Pais had Einstein de brief wel zelf opgesteld, na een bezoek van Szilárd en Wigner. Op aandringen van Szilárd stuurde Einstein op 7 maart 1940 een tweede brief van dezelfde strekking aan Roosevelt.

Laatste jaren

Einstein steunde het idee een Joodse universiteit te stichten in het toenmalige Britse mandaatgebied Palestina. Hij was actief betrokken bij oprichting van de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. Hij zamelde onder andere geld in voor de universiteit met Chaim Weizmann, biochemicus, zionistisch leider en eerste president van Israël. Uiteindelijk liet hij zijn persoonlijke eigendommen, inclusief zijn geschriften, na aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. Hij was eveneens betrokken bij de oprichting van de Technion-universiteit in Haifa.
Na de Tweede Wereldoorlog waarschuwde Einstein publiekelijk voor de mogelijk catastrofale gevolgen van een kernwapenwedloop. In zijn latere jaren was hij socialistisch gezind. Hierover schreef hij in de eerste editie van Monthly Review in mei 1949 een weinig bekend geworden essay met de titel Why Socialism?
In 1952 bood de Israëlische regering Einstein het presidentschap aan na het overlijden van Weizmann. Einstein zei "vereerd te zijn door het aanbod maar ongeschikt voor de positie" en sloeg het af.[16] Daarmee werd hij de enige burger van de Verenigde Staten die ooit de positie van buitenlands staatshoofd werd aangeboden.

Overlijden
Einstein stierf in zijn slaap in een ziekenhuis in Princeton op 18 april 1955. Hij was opgenomen vanwege een gebarsten aneurysma (verwijding) van de aorta. Zijn artsen wilden hem opereren maar Einstein weigerde dit, omdat hij zijn leven niet onnodig wilde rekken maar waardig wilde sterven. Naar eigen wens werd zijn lichaam dezelfde dag in Trenton gecremeerd. Vervolgens werd de as op een geheime plaats uitgestrooid. Einstein moest namelijk niets hebben van de verering van het grote publiek en wilde hiermee een "bedevaartsoord" voorkomen. Zijn familie had van tevoren wel toestemming gegeven voor een autopsie en Einsteins hersenen werden onderzocht door Dr. Thomas Stoltz Harvey, de patholoog die de autopsie uitvoerde. Harvey ontdekte niets bijzonders aan deze hersenen en bewaarde ze vervolgens in een bokaal gevuld met formaldehyde in zijn laboratorium. In 1999 vond een team aan de McMaster-Universiteit dat het deel van de hersenen dat gebruikt wordt voor wiskundig denken, ruimtelijke herkenning en bewegingsinzicht 15% breder was dan normaal.

2018-12-17 20:59:07

Macaulay Carson Culkin (New York, 26 augustus 1980) is een Amerikaans filmacteur.
Loopbaan

De acteercarrière van Culkin begon als kindster eind jaren 80, waarin hij speelde in de komische film Uncle Buck en daarna in de kinderfilm Home Alone. In 1992 werd een vervolg gemaakt, Home Alone 2: Lost in New York getiteld. Culkin wordt gezien als een van de grootste kindersterren ooit dankzij deze twee Home Alone-films. Hij verdiende een gage van 7 miljoen dollar dankzij het succes ervan. Aan het begin van 1995 kregen Culkins ouders ruzie over het verdelen van de geldrechten van Culkin, en nam hij daarom geen rollen meer aan tot de zaak was opgelost. Dit gebeurde in april 1997, toen er uitspraak werd gedaan.
Moeder Patricia Bentrup en vader Christopher "Kid" Culkin gingen uit elkaar. Bentrup kreeg de zeven kinderen toegewezen die het echtpaar had, waaronder Culkins acterende broertjes Kieran en Rory. Christopher Culkin moest genoegen nemen met een verhoudingsgewijs kleine vergoeding. Het vergaarde vermogen van Macaulay Culkin bedroeg toen rond de 17 miljoen dollar.
Culkin was in zijn succesjaren erg goed bevriend geraakt met popzanger Michael Jackson, en kwam graag op bezoek op zijn ranch "Neverland" en speelde mee in zijn videoclip Black or white.
Na de scheiding van zijn ouders trok Culkin zich terug van de media. Het gerucht ging dat Culkin al een burn-out had op zijn veertiende. Hij kwam nog in het nieuws vanwege vermeend drugsgebruik, en vanwege zijn huwelijk in 1998 met Rachel Miner, van wie hij in 2000 alweer scheidde. In 2003, 9 jaar na zijn laatste film "Richie Rich", maakte Culkin de film "Party Monster". Hierbij ontmoette hij Wilmer Valderrama, die hem koppelde aan Mila Kunis, een relatie die aanhield tot 2011.
In 2005 verscheen hij in gastrollen in de televisieserie Las Vegas.
Hij werd op de Interstate 44 aangehouden voor marihuanagebruik maar kwam er vanaf met een werkstraf. In juli 2005 getuigde hij in de rechtszaak over het vermeende kindermisbruik van zijn vroegere vriend Michael Jackson. Daarin ontkende hij te zijn misbruikt.

2019-01-12 21:12:56

Bonnie en Clyde

Clyde Barrow en Bonnie Parker
Het Amerikaanse duo Bonnie Parker en Clyde Barrow werd als bankrovers in de jaren dertig wereldberoemd. Hun verhaal, dat eindigde in een dodelijke hinderlaag van de politie, werd in 1967 verfilmd onder de titel Bonnie and Clyde (met hoofdrollen voor Faye Dunaway en Warren Beatty) en zorgde ervoor dat iedereen Bonnie en Clyde kende.

Criminele loopbaan[bewerken]


De met kogels doorzeefde auto van Bonnie en Clyde, nadat zij door de politie in een hinderlaag waren gelokt (FBI-foto van 23 mei 1934)
Bonnie en Clyde leerden elkaar kennen tijdens een bezoek aan een gezamenlijke vriend in januari van het jaar 1930. Bonnie, 19 jaar oud, was getrouwd met een man die wegens moord in de gevangenis zat. Clyde was vrijgezel. Ze leerden elkaar zo goed kennen dat ze van de criminaliteit een gezamenlijke hobby maakten. Ze waren beiden opgegroeid in het eenvoudige milieu van het Amerikaanse platteland, waar velen een uitzichtloos bestaan leidden. De economische crisis van de jaren twintig voorspelde niet veel goeds. Om zich aan dat sombere bestaan te onttrekken, realiseerden ze de Amerikaanse droom van vrijheid, avontuur en rijkdom door stelend door de staten te trekken.
Om Bonnie te imponeren, sloeg Clyde een plaatselijke kruidenier neer om er vervolgens met de kassa vandoor te gaan. Het was in feite hun eerste slag. Daarna lieten ze een spoor van dood en vernieling achter. Voortdurend waren ze op de vlucht voor de jagende politie. Omdat ze zich voornamelijk richtten op banken – en de kleinere middenstanders ontzagen – verwierven ze een zeker heldendom. Ze droegen zelf aan hun eigen mythe bij door de pers trots over hun daden te berichten. Sterker nog, ze stuurden zelfs foto"s en gedichten naar de media.
Hun criminele "zegetocht" duurde niet lang: op 23 mei 1934 vonden ze de dood, nadat ze door de politie in een hinderlaag waren gelokt. Hoewel tot de tanden toe bewapend, werden Bonnie en Clyde zodanig overrompeld dat ze niet de kans kregen naar de wapens te grijpen en werden ze volgens de geschiedschrijvers "door een regen van duizend geweerschoten" geveld. Op dat moment werden ze verdacht van 13 moorden en diverse overvallen en inbraken.

2019-01-12 21:12:56

Olivia Mary de Havilland (Tokio, 1 juli 1916) is een Amerikaans actrice. Ze won eind jaren 40 van de twintigste eeuw tweemaal een Oscar voor beste actrice.

Biografie


Olivia werd geboren in Tokio, als dochter van de Britse octrooigemachtigde Walter de Havilland en de actrice Lilian Fontaine. Joan Fontaine was haar jongere zus. De familie verhuisde naar Amerika in 1918. Haar acteercarrière begon in 1935. In de jaren 30 en 40 speelde ze vaak in films met Errol Flynn als tegenspeler. In 1939 brak ze definitief door met haar rol in het filmepos Gone with the Wind.
In 1946 won ze haar eerste Oscar voor haar rol in To Each His Own. In 1949 won ze opnieuw voor de film The Heiress, onder regie van William Wyler.
In de jaren 40 had ze een relatie met de regisseur John Huston. In 1946 trouwde ze met Marcus Goodrich. Ze kregen een zoon, Benjamin, en scheidden in 1953. In 1955 trouwde ze met Pierre Galante, met wie ze in 1956 dochter Giselle kreeg. In 1979 kwam ook aan dit huwelijk een einde.
Ze was bevriend met actrice Gloria Stuart en ook met Bette Davis kon ze het goed vinden. De relatie met haar zus Joan Fontaine - eveneens een actrice - bekoelde toen ze merkten dat ze concurrenten waren in het Hollywood van de jaren 40. De Havilland en Fontaine zijn wel de enige zussen die een oscar voor beste actrice wonnen.
Olivia de Havilland wordt gezien als de laatste nog levende grote filmster uit de jaren 30 en 40. Ze is de oudste nog levende Oscar-winnares. Op 1 juli 2016 vierde zij haar 100e verjaardag. In juni 2017 werd ze geridderd tot dame in de Orde van het Britse Rijk.

2019-01-12 21:12:56

Patrick Wayne Swayze (Houston (Texas), 18 augustus 1952 – Los Angeles (Californië), 14 september 2009) was een Amerikaans acteur, danser en singer-songwriter.

Levensloop

Zijn moeder, Patsy Swayze, was een bekende choreografe, die onder meer de choreografie voor Urban Cowboy, Thelma & Louise en Letters from a Killer op haar naam heeft staan. Swayze doorliep zijn schooltijd en al gauw bleek dat zowel dansen als acteren hem in het bloed zat. Met zijn moeder als eerste danslerares en een vader die hem aanmoedigde veel aan sport te blijven doen, begaf de jonge Patrick zich al snel op het toneel als danser, maar ook als acteur. Daarnaast was hij lid van het turnteam van zijn universiteit.
Hij nam onder andere les bij de Houston Jazz Ballet Company, Harkness Ballet Theater School (New York) en Joffrey Ballet Company. Uiteindelijk sloot hij zich aan als danser bij Eliot Feld Ballet Company. Door de rol van Danny Zuko in de Broadwayproductie Grease, die al eerder John Travolta bekendheid had gegeven, was voor Swayze de opening naar Hollywood gemaakt. Op 12 juni 1975 huwde hij de danseres, actrice en tekstschrijfster Lisa Niemi.
Swayze werd vooral bekend door zijn rol van dansleraar in Dirty Dancing. Ook nam hij een nummer voor de soundtrack van de film op. De ballad She"s Like The Wind werd een top 10 hit. Daarvoor had hij een hoofdrol in de televisieserie North and South, over de Amerikaanse Burgeroorlog.
Op 5 maart 2008 werd door een woordvoerder van Swayze bekendgemaakt dat hij alvleesklierkanker had. De woordvoerder ontkende dat de acteur nog maar kort te leven zou hebben. Swayze reageerde op dat moment goed op de behandeling en kon zijn dagelijkse werkzaamheden voortzetten. Zijn toestand verslechterde echter en anderhalf jaar later, op 14 september 2009, overleed Swayze op 57-jarige leeftijd

2019-01-12 21:12:56

Raquel Welch, 1970.

Raquel Welch (Chicago, 5 september 1940) is een Amerikaans actrice.

Raquel Welch is geboren als Jo Raquel Tejada in een gezin met drie kinderen. Ze is de oudste dochter van een Boliviaanse ruimtevaartingenieur en een Amerikaanse van Ierse afkomst. In 1942 werd vader overgeplaatst naar San Diego en daar groeide Raquel op in de wijk La Jolla. Ze deed van haar zevende tot haar zeventiende aan ballet, maar stopte daarmee toen haar balletinstructeur haar vertelde dat ze niet het juiste figuur had. Als tiener won ze vele Missverkiezingen, onder andere "Miss Photogenic" en "Miss Contour". Terwijl ze op de La Jolla highschool zat, won ze de titel "Miss Fairest of the Fair" op de San Diego County Fair. Na de middelbare school ging ze naar de San Diego State University met een theaterstudiebeurs. Op 8 mei 1959 trouwde ze met haar jeugdliefde van wie ze de achternaam Welch kreeg. Het echtpaar kreeg twee kinderen, het huwelijk eindigde echter in 1964. Ze is in totaal vier keer getrouwd (en gescheiden); haar tweede man (en manager) was filmproducent Patrick Curtis (1967-1972), daarna trouwde Welch met de Franse film- en televisieproducent André Weinfeld (1980–1990). Met haar vierde echtgenoot (1999-heden) leeft ze sinds 2008 niet meer samen. Haar dochter Tahnee Welch, uit haar eerste huwelijk, is inmiddels ook een bekend model en actrice.

In 1959 kreeg ze de hoofdrol in een openlucht toneelstuk genaamd Ramona Pageant, gebaseerd op de roman Ramona van Helen Hunt Jackson.
Ze werd weervrouw bij een lokaal televisiestation in San Diego. Daardoor besloot ze ook met haar studie te stoppen. Daarna liep haar eerste huwelijk op de klippen en verhuisde ze met haar twee kinderen naar Dallas, Texas. Daar werd ze model voor het warenhuis Neiman Marcus en werkte ze ook als serveerster met de bedoeling door te reizen naar New York.
In plaats daarvan ging ze naar Los Angeles, Californië waar ze veel audities deed bij de filmstudio"s. Na enkele bijrollen in films en televisieshows kreeg ze een rol in A Swingin" Summer (1965). Die rol leverde haar een contract op bij 20th Century Fox waarna ze een rol kreeg in de sciencefictionfilm Fantastic Voyage (1966) waardoor ze bij het grote publiek bekend werd.
Fox Studio leende Welch uit aan Hammer Studios (Groot-Brittannië) waar ze de hoofdrol kreeg in een remake van One Million Years B.C. (1966). Haar enige kledingstuk was een bikini gemaakt van hertenvel, ze werd beschreven als "gekleed in de mensheids eerste bikini".Een poster van haar in de bikini vestigde haar naam als "pin-up girl" Sindsdien werd ze gezien als het sekssymbool van haar tijd.
Na haar rol in de film Bedazzled (1967), keerde ze terug naar de Verenigde Staten, waar ze verscheen in de western Bandolero!, met James Stewart en Dean Martin, gevolgd door haar rol in Lady in Cement met Frank Sinatra. Playboy noemde haar de meest begeerde vrouw van de jaren zeventig.
Haar meest controversiële rol was in Myra Breckinridge. Ze speelde een transseksueel en hoopte hierdoor als actrice serieus te worden genomen, maar de film flopte. In 1969 speelde ze in de western 100 Rifles, geregisseerd door Tom Gries, met Jim Brown, Burt Reynolds en Fernando Lamas.
In 1970 maakte ze samen met Tom Jones en producer/choreograaf David Winters de televisie-special Raquel!. De opnames vonden plaats over de hele wereld, van Parijs tot Mexico. Het programma bevatte bekende liedjes uit die periode, extravagante kleding en gastacteurs zoals John Wayne en Bob Hope. Ook verscheen ze in een aflevering uit seizoen 3 van de The Muppet Show (1978).
In 1974 won ze een Golden globe voor The Three Musketeers. Ook heeft ze een ster op de Hollywood Walk of Fame.

2019-02-19 18:21:47

Karl Lagerfeld

Karl Otto Lagerfeld (Hamburg, 10 september 1933 - Neuilly-sur-Seine, 19 februari 2019) was een Duitse modeontwerper, kunstenaar en fotograaf, die sinds 1952 voornamelijk in Parijs woonde en werkte.
Hij was een van de invloedrijkste couturiers aan het einde van de twintigste en in het begin van de eenentwintigste eeuw, en was ook op andere creatieve terreinen actief, met name de fotografie.
Op 3 juni 2010 werd hij door de Franse president Nicolas Sarkozy benoemd tot Commandeur in het Legioen van Eer. De bijbehorende versierselen waren ontworpen door het juweliersatelier van Chanel.
In najaar 2010 toonde het Maison Européenne de la Photographie te Parijs een overzicht van zijn fotografische werk. In voorjaar 2011 was deze tentoonstelling te zien in het Chiostro del Bramante te Rome.

Carrière in de mode

In 1955 begon hij voor Pierre Balmain, om in 1958 over te stappen naar Jean Patou. Een jaar later nam hij daar ontslag om freelance te gaan werken voor onder andere Valentino. In 1964 trok hij zich terug om in Italië kunst te gaan studeren. In 1967 kwam hij terug en begon te werken als design consultant voor Italiaanse modehuis Fendi. In de jaren zeventig werd hij vooral bekend door zijn werk bij modehuis Chloé, waar hij bleef tot Stella McCartney in 1997 het roer van hem overnam. Sinds 1983 was hij hoofdontwerper van het modehuis Chanel. Tussen 1984 en 1997 had hij zijn eigen modelijn Karl Lagerfeld en vanaf 1998 zijn eigen label Lagerfeld Gallery. In 2005 verkocht hij de merknaam Karl Lagerfeld en zijn twee winkels in Parijs en Monaco voor een onbekend gebleven contant bedrag aan Tommy Hilfiger. Voor het Italiaanse merk Hogan (schoenen, tassen, confectie) ontwierp hij de voorjaars-/zomercollectie 2011 en de herfst/wintercollectie 2011/2012. De zomercollectie 2011 toonde hij in de door hemzelf bedachte en geregisseerde film La Lettre, over een jong stel gespeeld door Baptiste Giabiconi en Magdalena Frackowiak. Lagerfeld overleed aan de gevolgen van alvleesklierkanker op 19 februari 2019 te Neuilly-sur-Seine, hij werd 85 jaar

In het openbaar droeg hij altijd een zwart kostuum, een wit, hooggesloten overhemd en een donkere zonnebril.
Hij was een groot liefhebber van boeken; zijn woningen in Parijs, Rome, Monaco en New York bevatten meer dan 300.000 boeken, waaronder een immense verzameling kunst- en fotografieboeken; hij had een eigen uitgeverij, 7L, een imprint van de Göttingense uitgeverij Steidlen in Parijs een eigen fotoboekenwinkel, ook onder de naam 7L; in 2012 heeft hij een in een boek verpakt parfum op de markt gebracht, Paper Passion, ontwikkeld door Geza Schön, een Berlijnse parfumeur.
Lagerfeld sprak diverse talen, waaronder Duits, Frans, Engels en Italiaans.
Sinds 1987 fotografeerde hij zijn eigen reclamecampagnes.
In 2000 verloor hij door een zelf ontwikkeld dieet, 3D (Designer, Doctor, Diet), 47 kg aan gewicht.
In 2002 liet hij zijn Chanel-shows in Parijs, Tokio en Las Vegas muzikaal begeleiden door de Belgische electropopband Vive la Fête.
Op 9 april 2008 bevestigde Rockstar Games dat Lagerfeld een rol heeft in de game Grand Theft Auto IV. Hij speelde de rol van DJ Karl als presentator van een van de radiozenders in het spel genaamd "K109 The Studio". De informatie was vooraf bekendgemaakt en onderdeel van de marketingcampagne van het spel dat op 29 april 2008 uitkwam.
De Nederlandse band Moke is sinds 2007 uitgedost in kleding van Karl Lagerfeld.

2019-09-01 19:47:16

Diana, prinses van Wales (Diana Frances Spencer, Sandringham, 1 juli 1961 – Parijs, 31 augustus 1997) was de eerste echtgenote van de Britse kroonprins Charles en de moeder van de prinsen William en Harry.

Diana was de jongste dochter van de Hon. Frances Ruth Burke-Roche (dochter van de 4de baron Fermoy) en de John Spencer, 8ste graaf Spencer, viscount Althorp, waardoor Diana een afstammeling was van vele koningen van Engeland. Diana had twee zusters, Sarah en Jane, en een broer, Charles.
Na de dood van haar grootvader aan vaders zijde, de zevende graaf Spencer in 1975, werd lord Althorp de achtste graaf Spencer en zijn dochter kreeg de titel "Lady Diana Spencer", vaak verkort tot "Lady Di". Ze kreeg haar opleiding in Norfolk en aan een kostschool in Kent en werd beschouwd als een gemiddelde leerlinge. Toen ze 16 jaar was, ging ze naar het Institut Alpin Videmanette, in Rougemont, Zwitserland, voor het laatste jaar van haar opleiding.

Prinses van Wales

In 1980, toen ze 19 jaar oud was, werd ze opgemerkt door de prins van Wales, prins Charles, die haar uitnodigde voor een polowedstrijd. Een romance begon en het stel verloofde zich op 24 februari 1981. Zij trouwden op 29 juli hetzelfde jaar onder grote publieke belangstelling in de St Paul"s Cathedral in Londen.
De nieuwe prinses werd enorm populair en was zeer geliefd. Ze werd beschermvrouwe van vele projecten en tijdens deze periode groeide haar kledingcollectie, die later geveild zou worden voor het goede doel.
Diana kreeg twee kinderen: prins William (1982) en prins Harry (1984). Beide kinderen werden opgevoed met de nodige zorg en de prinses waakte zelf over de kwaliteit van hun opvoeding.

Scheiding

Aan het begin van de jaren negentig liep het huwelijk op de klippen, deze scheiding werd breed uitgemeten in de Britse en internationale pers en bracht het Britse hof in verlegenheid. In een interview vertelde de prinses dat haar echtgenoot haar al voor het huwelijk bedroog met Camilla Parker-Bowles. De prins kende Camilla reeds lang voor zijn huwelijk.
Het koppel besloot in 1992 uit elkaar te gaan, al werd de scheiding pas in 1996 afgerond. Vele Britten wezen met een vinger naar de prins en zijn entourage.
De prinses verloor haar predicaat koninklijke hoogheid en trok zich terug uit het Britse Hof.

Inzet voor goede doelen

Aan het eind van de jaren tachtig kreeg ze steeds meer bekendheid voor haar steun voor goede doelen. Ze heeft veel betekend in campagnes tegen het gebruik van landmijnen en in het verminderen van het stigma rondom Aids. In 1995 ontving ze de Humanitarian of the Year award.

Het auto-ongeluk

Diana overleed op 31 augustus 1997 om 04.00 uur in het Hôpital de la Salpêtrière in Parijs. Omstreeks 00.22 uur die dag was zij als passagiere betrokken bij een auto-ongeluk in de Pont de l"Alma in Parijs, samen met haar vriend Dodi Al-Fayed, de bestuurder van de auto Henri Paul en bodyguard Trevor Rees-Jones. Rees-Jones was de enige overlevende. De auto, een Mercedes S280, was – op de vlucht voor paparazzi – op weg naar het appartement van Al-Fayed. Met een snelheid van 104 km/u reed de auto tegen de dertiende pilaar in de tunnel. Paul en Al-Fayed waren op slag dood. Niemand van de passagiers droeg een autogordel.
Diana stond op het punt om een belangrijke aankondiging te doen. Dat is wat ze tegen de media had gezegd niet lang voordat ze overleed.
Op 14 december 2006 bracht de Britse politie een rapport naar buiten, waarin stond dat haar dood een ongeluk betrof. Een Britse rechtbankjury bevestigde dit oordeel op 7 april 2008. Als schuldige werd de chauffeur aangewezen, die een hoger alcoholpromillage had dan wettelijk was toegestaan, en daarbij onvoorzichtig en te hard had gereden.
Haar dood veroorzaakte een bijzondere publieke rouwperiode, tijdens welke de prinses lag opgebaard in de Chapel Royal van St. James"s Palace. Premier Blair noemde haar de "people"s princess" (prinses van het volk). Naar schatting zes miljoen mensen waren getuige van de begrafenisplechtigheden die op 6 september plaatsvonden. Diana werd begraven in Althorp in het Midden-Engeland, op een eiland in het midden van een meer op het familielandgoed waar ze opgegroeid was, sinds 1992 eigendom van haar broer. Bezoekers kunnen om het meer lopen en een tentoonstelling over Diana bekijken in een bezoekerscentrum.

Na 1997

Op 6 juli 2004 werd de Prinses Diana-herdenkingsfontein onthuld in Hyde Park (Londen) in de vorm van een ovale ring van steen.
Haar zonen William en Harry organiseerden tien jaar na haar dood op haar verjaardag op 1 juli 2007 het Concert for Diana in het nieuwe Wembley, met als gasten bands uit haar tijd en bands van nu die voldeden aan haar muzieksmaak zoals Elton John, Duran Duran en Nelly Furtado.
In de Guards Chapel te Londen werd op 31 augustus 2007 op initiatief van haar beide zoons herdacht dat Diana tien jaar geleden was overleden. Zij hielden daar een toespraak.

2020-01-16 21:48:48

Barack Obama

Barack Hussein Obama II (Honolulu, 4 augustus 1961) is een Amerikaans politicus en schrijver. Hij was de 44e president van de Verenigde Staten, in functie van 20 januari 2009 tot 20 januari 2017 gedurende twee ambtsperiodes. Hij was de eerste Amerikaanse president van (deels) Afrikaanse afkomst.
Tussen 3 januari 2005 en 16 november 2008 was Obama lid van de Senaat als vertegenwoordiger van Illinois en voordien was hij staatssenator in de wetgevende vergadering van zijn thuisstaat. Na het verslaan van de Republikeinse kandidaat John McCain tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen 2008 werd hij op 20 januari 2009 tijdens de inauguratie op het Capitool beëdigd als president. Op 9 oktober 2009 kreeg Obama de Nobelprijs voor de Vrede. Hij werd herverkozen bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2012 door de Republikeinse kandidaat Mitt Romney met voorsprong qua kiesmannen te verslaan, maar minder afgetekend qua stemmenaantal en met een kleinere marge dan bij zijn overwinning in 2008. Hij was de eerste Democratische kandidaat sinds Bill Clinton (president van 1993 tot 2001) die twee achtereenvolgende presidentsverkiezingen won met een meerderheid van de voorkeurstemmen (popular vote).

Biografie
Obama"s vader, Barack Obama Sr., was een Luo uit Kenia. Zijn moeder, Ann Dunham, was een Amerikaanse uit Kansas. Zijn ouders scheidden in 1964 toen Obama twee jaar oud was. Zijn vader keerde terug naar Kenia. Obama heeft hem daarna nog maar één keer gezien. Na de scheiding hertrouwde zijn moeder met Lolo Soetoro, een Indonesische student die in Hawaï studeerde. In 1967 verhuisde het gezin naar Jakarta. Tijdens deze periode volgde Barry Soetoro, zoals hij toen genoemd werd, gedurende twee jaar onderwijs aan een katholieke basisschool die door de Nederlandse kapucijn Bart Janssen is gesticht. Hij was er ingeschreven als moslim. Daarna vervolgde hij zijn lagere school aan de State Elementary School Menteng 01, die Janssen omschrijft als een "elitaire moslimschool". Vier jaar later, Obama was toen tien, keerde hij terug naar Honolulu en ging wonen bij de ouders van zijn moeder. Hier bezocht hij de middelbare school tot 1979. Toen Obama 21 jaar was, kwam zijn vader om bij een auto-ongeluk in Kenia. Zijn moeder keerde ook nog even terug naar Hawaï, maar ging uiteindelijk weer naar Indonesië. Zij overleed in 1995 aan kanker, een paar maanden na het verschijnen van Obama"s boek Dreams from My Father.
Studie
Na de middelbare school verhuisde Obama naar Los Angeles, waar hij twee jaar aan het Occidental College studeerde. Hij zette zijn studie voort aan de Columbia-universiteit in New York, waar hij in 1983 afstudeerde in politicologie met als specialisatie internationale betrekkingen. Na zijn studie werkte hij als onderzoeker bij de New York Public Interest Group. In 1985 verhuisde hij naar Chicago waar hij projecten deed in armere buurten. Van 1985 tot 1988 was hij hoofd van het Developing Communities Project (DCP). DCP was een hulpprogramma opgezet door de Katholieke Kerk. Als afsluiting van deze periode bezocht Obama Europa en Kenia. In Kenia ontmoette hij familieleden.
In 1988 begon Barack Obama aan zijn studie rechten aan de Harvard-universiteit. In 1990 haalde hij het nieuws toen hij als eerste Afro-Amerikaan werd benoemd tot president van de Harvard Law Review. In deze hoedanigheid zorgde hij voor een politiek en ideologisch evenwicht in de inhoud van het tijdschrift; zelf publiceerde hij anoniem een artikel over het recht van het kind om tegen de eigen moeder een rechtszaak aan te spannen wegens verwaarlozing tijdens de zwangerschap. Hij studeerde in 1991 cum laude af, waarna hij terugkeerde naar Chicago en ging werken als advocaat. Obama doceerde tussen 1993 en 2004 in deeltijd rechten aan de Universiteit van Chicago. Van 1992 tot 2002 was hij tevens werkzaam bij het advocatenkantoor Davis, Miner, Barnhill & Galland. Zijn activiteiten als advocaat in dossiers aangaande mensenrechten was de beslissende stap die hem naar politieke activiteiten bracht.[bron?]

Familie

Obama"s echtgenote Michelle Robinson studeerde eveneens aan Harvard. De twee ontmoetten elkaar in 1989 tijdens hun werk voor een advocatenkantoor en trouwden in 1992. Ze hebben twee dochters: Malia Ann (4 juli 1998) en Natasha "Sasha" (10 juni 2001). Michelle Obama is tegenwoordig vicepresidente voor gemeenschapszaken van de University of Chicago Hospitals. Zij kwam in opspraak toen haar salaris verdrievoudigde nadat Obama senator was geworden. De reden hiervoor was echter een promotie en haar volle baan met overuren toen ze geen campagne meer voerde voor haar echtgenoot.
Obama is christen, maar niet van huis uit. Hij is gedoopt in de United Church of Christ in 1988.
Barack Obama is een rechtstreekse afstammeling van de protestantse "Pilgrim Fathers", te weten de familie Blossom, die begin 17e eeuw vanwege religieuze vervolgingen vanuit Engeland naar Leiden was uitgeweken en van daaruit in 1629 naar Amerika voer voor een leven in godsdienstvrijheid. Het meeste opmerkelijke aan deze vondst, die op 5 december 2008 door de gemeente Leiden werd bekendgemaakt en door de New England Historic Genealogical Society in Boston werd bevestigd, is dat Obama afstamt van Elizabeth Blossom, wier broer Peter een verre voorouder is van Obama"s ambtsvoorganger George W. Bush.[7]
Ook de vicepresident van de VS tijdens Bush" regering, Dick Cheney, is verre familie van Obama.[8] Halfbroer Malik Obama deed in Kenia mee aan de gouverneursverkiezing voor het district Siaya en werd derde.

2020-01-16 21:50:03

Bill Clinton

William Jefferson (Bill) Clinton (Hope (Arkansas), 19 augustus 1946) is een Amerikaans politicus van de Democratische Partij. Hij was de 42e president van de Verenigde Staten van 1993 tot 2001.
Clinton, een jurist van beroep, was van 1973 tot 1976 hoogleraar staatsrecht aan de Universiteit van Arkansas. Hij was van 1977 tot 1979 de procureur-generaal van Arkansas en van 1979 tot 1981 en van 1983 tot 1992 de 40e en 42e gouverneur van Arkansas.
In 1992 won Clinton, samen met running mate Al Gore, de verkiezing van 1992 en versloeg daarmee de zittende president George H.W. Bush. Tijdens de verkiezingen van 1996 versloeg hij Republikein Bob Dole en werd daarmee verkozen voor een tweede termijn.
Clinton is getrouwd met de voormalige minister van Buitenlandse Zaken en oud-senator Hillary Clinton. Samen hebben ze één dochter, Chelsea. Hillary Clinton was de presidentskandidaat namens de Democratische Partij voor de presidentsverkiezingen van 2016, maar verloor de verkiezingen van Donald Trump.

Jeugd en huwelijk[bewerken]
Clinton werd geboren als William Jefferson Blythe III op 19 augustus 1946 in Hope (Arkansas). Zijn vader, William Jefferson Blythe, Jr., stierf in een auto-ongeval drie maanden voor Clinton werd geboren. Toen William vier jaar oud was, hertrouwde zijn moeder met Roger Clinton uit Hot Springs. Daar groeide William (Bill) ook op. Tijdens zijn tijd op de plaatselijke high school nam hij de achternaam Clinton aan.
Toen hij tijdens een bezoek aan het Witte Huis in 1963 president John F. Kennedy ontmoette en Martin Luther King zijn historische "I Have a Dream"-toespraak gaf, besloot Clinton te streven naar een carrière in de politiek.
In 1968 studeerde hij af aan de universiteit van Georgetown en won de prestigieuze Rhodesbeurs voor de Universiteit van Oxford. In 1973 ontving hij de graad "Juris Doctor" aan de Yale-universiteit.
Tijdens zijn studie aan Yale ontmoette hij Hillary Diane Rodham. Zij trouwden in 1975. Vijf jaar later, in 1980, werd hun enige kind geboren, dochter Chelsea Victoria.
Na de Lewinsky-affaire vertelde hij zich tegenover hen te schamen voor de relatie die hij met Lewinsky had gehad, en vooral voor het tegenover hen expliciet ontkennen ervan toen die in het nieuws kwam

Vroege carrière


Na enkele jaren als hoogleraar rechten te hebben onderwezen aan de Universiteit van Arkansas, werd Clinton procureur-generaal (Attorney General) van Arkansas.
In 1978 werd Clinton gekozen als de 40e gouverneur van Arkansas, maar verloor in 1980 van zijn Republikeinse uitdager Frank White. Clinton werkte de volgende twee jaar aan zijn comeback. In 1982 slaagde hij er in om opnieuw gekozen te worden als de 42e gouverneur. Hij bekleedde in totaal drie termijnen lang (in 1981 beliep één termijn twee jaar; nadien bedroeg deze vier jaar) de positie van gouverneur van Arkansas, te weten van 1979 tot 1981, en van 1983 tot 1992.
In 1992 stelde Clinton zich verkiesbaar voor het presidentschap . Door het winnen van de Golfoorlog leek president George H.W. Bush van een herverkiezing verzekerd. Verschillende prominente Democraten stelden zich daarom niet verkiesbaar. In de voorverkiezingen nam Clinton het op tegen Jerry Brown en Paul Tsongas. Clinton won de voorverkiezingen met grote meerderheid en hiermee de nominatie van de Democratische Partij. Hij koos senator Al Gore van Tennessee als Running mate. Mede dankzij de slechte economie (Clinton: "It"s the economy, stupid!" - vert.: "Het gaat om de economie, sukkel!"), een belastingverhoging, en zijn charisma, won Clinton samen met Al Gore de verkiezingen van 1992.